Genezingsmeditatie 28

Door het Licht getroffen, 

in Gnosis Rijkdom opgestaan, 

uit de Volheid van het Weten, 

door ervaring aangedaan, 

is mijn Hart de grot geworden 

waar gij, Godszoon, schrijft uw Naam.


In mij wordt de strijd gestreden, 

door Hem, die de Stilte groet

en al wat ik heb beleden

neemt vorm aan in mijn Gemoed. 

Nu de waan van mij gaat wijken

vind ik pas Uw overvloed. 


Heer, Gij  zijt voor mij het Leven,

dat zich om mij heen beweegt

als een herontdekt groots Wonder,

waartoe' k nu de Sleutel kreeg. 

In de Gnosis van Uw Zwijgen

vind ik de doorgang tot Uw Sfeer, O Heer!

Amen


Uit de eenvoud van Uw Wijsheid gevallen, O God, vond mijn ziel de weg tot de gespletenheid der Chaos, en mijn hart vermeide zich in de velden der waan. 

Niets is er wat mij nog herinnerde aan de Eenvoud Uwer Sfeer dan de smart, die in mij zijn stem verheft op de tijden, dat ik mijn verzenen tegen de prikkels sla. 

Ik heb de heilige Appel van Uw Boom des Levens gegeten, en haar Leven heeft zich verankerd in mijn bloed, zodat in mij een onophoudelijke Herinnering brandt naar de Hof van Edem, waarin de ziel zich met mijn gevallen wezen vermengde tot één harteklop. 

Eeuwen zijn voorbijgegleden en nog is daar die zoete Herinnering, die echter in mij wordt tot een kwelling, zolang, zolang ik de Stem des Ene Levens negeer en mij wendt tot de vormen van de waan, die zich in hun rijke gewaden als misleiders aan mij opdringen. 

Mijn denken, O God, eens één met Uw Denken, kent zijn eigen onrust niet meer en laat zich opjagen door het vuur van mijn begeerten en mijn willen. 

Het is als een gekooide vogel, die doorlopend uitwegen zoekt, hoewel hij weet gekortwiekt te zijn en niet meer op te kunnen stijgen naar de hoge hemelen der vrijheid. 

Mijn hart is als een schuwe vogel, die zich zo dikwijls gewond heeft, dat hij zich nu ter ruste legt in de hand van zijn bezitter, hoewel deze hem pijnigt. 

Eens verhief ik mij op de vleugelen der ziel; nu behelp ik mij met de gekortwiekte vleugelen van de gevangene, of ik beweeg mij door het stof der aarde, gelijk de vervloekte slang. 

Uiterlijk ben ik materie geworden, innerlijk ben ik van U, O God, maar ik besef dat woorden mij niet meer tot U vermogen op te heffen, daar de gebeden der gevallen Lichtzonen reeds zo dikwijls geworden zijn tot versteende klanken in een wereld van schijn. 

Gij hebt mij geplaatst voor de keuze tussen de twee wegen: Uw Gnosis of de religie dezer wereld, die zich in velerlei vormen verborgen heeft. 

Ik wist, dat Uw Gnosis mij de hardste verplichting op zou leggen, ooit aan een mensenkind gegeven, niettemin zijn de aanrakingen Uwer Lichtende pijlen mij tot lering geweest, want ik heb de keuze kunnen doen, O God, en Uw Gnosis verkozen boven de uiterlijke macht der wereldreligies. 

De weg, die ik gaan moet, zullen weinigen mij benijden, hoewel de afgunst mij doorlopend omringt als een fantoom uit vorige ervaringen en de demonen der begeerten zich met mijn leed vermaken. 

Zo er enigen zijn, die, met mij, deze fase op de Grote Thuisreis kunnen volbrengen, zal mijn hart niet voor niets gebloed hebben, zal mijn strijd niet voor niets geweest zijn, zullen mij de ogen niet voor niets geopend zijn. 

In de sferen van deze waan-levensstaat gaan er velen gebukt onder de teleurstellingen, die hem aangrijnzen zodra  het omhulsel der waan weggetrokken is. 

Helaas, velen moeten de bitterheid van de uitzichtloosheid dezer wereld nog leren kennen en de grootheidswaanzin der natuurmachten zal hen aansporen tot etherofferanden op het altaar van hun goden. 

Er is, en Gij weet dit, reeds zoveel hartebloed en zoveel ziele-ether geofferd aan de zichtbare en onzichtbare machthebbers dezer wereld, dat de aarde doordrenkt is van het lichamelijke èn het zielebloed der onwetenden. 

De engelen vernemen reeds de jammerklachten der mensheid, die zich niet meer verheffen kan uit de bloeddampen der geofferden, en de tijd is nabij, waarin de waan het masker geheel; zal worden afgerukt en de mensheid zijn afzichtelijk gelaat zal waarnemen. 

Goddelijke Oerkracht, ik spreek U aan vanuit mijn diepste innerlijk, daar waar Uw atoom verborgen ligt en zich gereed maakt om het Wezen van de verwerkelijker te scheppen. 

Gij zijt de Universele kracht, waarnaar de mensheid hunkert, maar die zij niet kan bereiken, zonder opgenomen te zijn in het boek des Goddelijken Levens, waar de namen der gevallen Lichtzonen staan opgetekend en die wederom lichten zullen met een gouden glans zodra één van hen wedergekeerd is binnen het trillingsveld der Eenheid. 

Ons pogen om deze Naam wederom tot bezit te maken heeft gefaald, toen wij trachtten U te vermurwen door onze werken, toen wij probeerden Uw Liefde te winnen door onszelf te verhullen in het kleed der schijn-heiligheid. 

Wij weten nu, dat Gij U niet bekend maakt op onze tijd, maar dat Gij ons nadert, zodra wij de intensiteit van Uw trilling in onszelf hebben toegelaten door de werken der Stilte, die Gij aan ons overdraagt, zodra wij geleerd hebben waarlijk "Stil" te zijn voor God. 

Na vele harde leringen hebben wij begrepen, Meester van het Onbegrensde, Vader der Trillingen, dat Uw Waarheid niet te bevestigen is in de tijd, zonder dat Gij Uw toestemming daartoe gegeven hebt. 

Wij kunnen Uw Waarheid niet uitdragen, zo Gij ons nog niet vol bevonden hebt voor Uw Rechtvaardig Oordeel. 

Wij mogen niet spreken van Uw Verlossende Mogelijkheid, indien wij niet in staat zijn de trilling der Verlossing over te dragen, gelijk Gij, Vader, Uw Lichttrilling overdraagt aan de Zoon, die Gij liefhebt. 

Geduld is de gave, die Gij Uw pelgrim schenkt, zodra hij Uw Wijsheid begint te doorgronden. 

Door dit geduld wast de ziel in de overkoepeling van Uw aanrakingen, en de mens der tijdelijkheid houdt zich verborgen in de schaduw van het Niet-Zijn. 

Er is zo dikwijls in mij, O Heer des Vuurs, het ongeduld dat als een valse vuurkracht door mij heen jaagt, op zoek naar de doorgang door de Poort.  

Gij hebt mij geleerd hart en hoofd onbeweeglijk te houden temidden van deze aanstormende vuurkracht, die mij wil overweldigen  en min wil neerwerpen aan de voeten der natuur-aeonen, die zich dan over mij zullen vermaken, zeggende: "Ziet, er is geen Licht meer in hem!" 

Maar Gij, O Majesteit des Vuurs, Gij die het Denken van het Al bezielt, en die het Hart van het Al belevendigt door Uw Liefde, Gij weet dat in mij de Herinnering aan de Hof van Edem, U steeds weer naderbij brengt; 

  • als een zachte aanraking, gelijk een avondbries, 
  • als een schoonheid, gelijk een bloem die zich ontvouwt, 
  • als een kleur, onbeschrijflijk in zijn harmonie, 
  • als een klank, die slechts mijn ziel vermag te begrijpen. 

Hoe kan ik, Heer der levenden, Atoom waaruit alle atomen zich openbaren en waarin zij zich wederom verbergen, hoe kan ik hen, die van mijn Ras zijn, Uw Oneindigheid verklaren? 

Hoe kan ik hen spreken van Uw Trilling? 

Hoe kan ik hen doordringen van Uw Alkracht? 

Slechts Uw Volmaaktheid op hen over te dragen als een lichtflits is mij voldoende, Uw Lichtende verten voor hun geestesoog te tekenen met de hand van mijn zielewezen. 

Uw Vrijheid aan hen bekend te maken als een Genade, zodat zij niet meer gegrepen worden door de angst, die hen, gelijk eeuwenlange gevangenen, overvalt, zodra deze Vrijheid hen beroert. 

Indien mijn ziel bij machte is hun zielen aan te raken, zodat deze levend kunnen blijven totdat Gij hen roept bij de Naam, die zij bezaten in hun oorspronkelijke Vaderland, zal Uw Barmhartigheid velen redden uit de verwarring. 

Gij regeert de kosmische wetten door Uw Rechtvaardigheid en niemand kan aan zijn lot ontkomen, zo hij niet geleerd zou hebben dat de genade Uwer Grootheid alle wetten vermag te verbreken. 

Dit nietige leven, dat wij genoodzaakt zijn te leiden in de begrenzing der Chaos, is slechts een fractie van de tijd, die wij nodig hebben om de Grote Thuisreis te volbrengen. 

Toch is deze fractie belangrijk, in staat te vernietigen òf te bouwen. 

Wij spelen maar al te dikwijls met het leven dat ons is toebedeeld en wij staan niet stil bij de lessen, die door de wetten Uwer Kosmos aan ons overgedragen werden. 

Ons hoofd is als een beker, waarin de Vloeistof des Levens verhard is geworden onder de eeuwenlange verstening. 

Ons hart is als een poel geworden, waarin scheppingen huizen, die Gij niet voortgebracht hebt, en die zich slechts voortbewegen met behulp van de duisternis. 

En toch is daar die flauwe Herinnering aan Uw Hof van Edem, waarin de Harmonie tussen de tegengestelden de Diepe Vrede van Bethlehem verduurzaamde. 

Nergens vinden wij deze Hof terug, dan soms in de binnenkamer van onze ziel, waarin het Licht van Uw Volheid na veel moeiten en inspanningen is binnengegaan. 

In deze binnenkamer vinden wij de Kracht en de moed om verder te bouwen aan het Tehuis Sancta Spiritus, waarbinnen de Verwerkelijker zijn eeuwige Woning vinden zal. 

Daarom, O Oorzaak van alle Levenskracht, vervul mij en allen, die van mijn Ras zijn, waar ook ter wereld, met Uw Trilling, zodat het bad van Bethesda zich in ons zal bevinden als een Reiniging, als een Heling, als een Genade! 

In dit etherische Bad dompelen wij onze zielen, herstellen haar zwakte, genezen haar lamheid, heffen op haar onmacht. 

Ons Geloof in de Oerbron des Lichts, onze Zekerheid omtrent de Kracht van Uw Gnosis en de Innerlijke Ervaring van Uw aanrakingen schenken ons het vermogen U te kennen, U te belijden, U te verwerkelijken door ons leven. 

Indien Gij,

  • Rein Water - 
  • Sterke Aarde - 
  • Goddelijke Lucht - 
  • Lichtend Vuur - 
  • Harmonie der Hemelse Ether - 

in ons Uw Aanwezigheid bekend maakt, zijn wij geheeld. 

Mogen allen geheeld worden, die van Uw Ras zijn. 

Mogen zij allen getroost en gereinigd worden, 

zodat Uw Licht schijne - mede door hen, O Eeuwige!

Licht der Lichten,

Vuur der Opstanding, aanvaardt onze pogingen! 

Amen 

Uit de Volheid van Uw Licht opgestaan reis ik naar de oorden van de waan, en zoek hen, die lichtloos geworden zijn, hoewel zij hunkeren. 

Uit de aanraking van Uw Heerlijkheid ontwakende, reis ik naar de dalen der smarten en zoek hen, die stervende zijn in de pijnigingen der natuurdemonen. 

Uit Uw Meer der Heling omhoogrijzende wend ik mij tot de sferen der misleidingen en zoek hen, die gebukt gaan onder de bitterheden van hun ervaringen. 

Uit Uw Stilte komende tot de dissonanten dezer schijn-werkelijkheid zoek ik hen, die hun gehoor toegesloten hebben en hun innerlijke oor openen. 

Uit Uw Vuur omhoog stijgende als een Phoenix, zoek ik Uw Hemelen, waar velen tevergeefs hun handen kapotbeuken op de Poorten tot Uw Paradijs. 

Niemand kan zonder moeiten Uw Heerlijkheid vinden, allen zullen zij hun weg moeten afvechten op de bewakers dezer doodsnatuur. 

Laten zij verstaan, O Heer der Stilte, dat Gij hen een innerlijke Strijder geschonken hebt, die Uw Kracht kan aanwenden tot de Overwinning. 

Laten zij mogen begrijpen, dat deze Innerlijke Afgezand meer vermag door zijn Kleine Kracht, dan de mens vermag te volbrengen door de overmacht van zijn ik-waan. 

Binnen de Stilte van Uw Sfeer, Vader des Levens, zullen wij Uw Afgezand leren kennen en zullen wij de mogelijkheid ontvangen om de mens dezer stofsfeer te doen neerknielen in ootmoed door de uiterlijke kleine, maar innerlijke Grote Kracht van Uw Gezondene. 

Laten wij allen verlicht worden door uw Denken. 

Laten wij de Kracht des Levens mogen grijpen doordat Uw harteklop zich aan ons hart bekend maakt. 

Want Uw Thuisreis door de oorden van deze chaos is niet moeilijk te volbrengen, hij is slechts tegengesteld aan ons gebonden denken, aan ons misleide willen, aan ons vertroebelde gevoelen. 

Daarom, leg de Harmonie der tegengestelden, die wij kenden in de Hof van Edem, als een bedekking over ons wezen, opdat onze Oerherinnering daarin opleve als een niet te stuiten Kracht, die ons geheel doortrilt, als een hunkering, als een vuurvlam, als een bede, als een bezielde levensdrang, die ons voert tot het Hoge Leven van de eenheid tussen ziel en geest. 

Zo er iets van deze ziele-levensdrang in ons is, mogen wij deze gebruiken tot hulp voor hen, die aarzelen. 

Zo er iets van uw Licht in ons is, mogen wij deze aanwenden tot steun voor hen, die gewurgd worden door de beelden der schaduwen. 

Moge ons leven gewijd zijn aan Uw Gnosis. 

Moge ons leven een getuigenis worden van Uw Waarheid. 

Mogen wij bewijzen dat wij de keuze Uwer Gnosis hebben gemaakt, door op te gaan in het Niet-Zijn.

Daar waar het IK niet meer is, komt Gij binnen, O Gnosis des Lichts. 

Gebruik mij in de momenten waarin mijn IK zich verdeemoedigt, opdat Uw Trilling de Overwinning behale. 

O kandidaat op de Gnostieke Weg, gebruik uw Weten, gebruik uw mogelijkheid, gebruik uw voorrecht.

Amen

Gebed

Zodra uw Oog verleerd heeft tranen te storten, is uw ziel wakende.


Zodra uw Hart verleerd heeft smarten te zamelen, is uw ziel de strijder.


Zodra uw Oor verleerd heeft zich aan disharmonie te wijden, verneemt uw ziel de Harmonie. 


Zodra uw Tong verleerd heeft anderen te wonden, kan uw ziel helen gaan.


Zodra uw Denken verleerd heeft zich onnodig te vermoeien, kan de ziel Wijsheid spreiden gaan.


Deze vijfpuntige Ster der Geboorte worde lichtend in u, kandidaat!

Amen


Mogen alle tegenstellingen sterven onder de kracht van het Licht der Lichten, opdat gij de Eenheid wedervinde, pelgrim!




1970 - 2015, copyright Henk en Mia Leene