Hoort gij in uw oren nog de lofzangen der engelen? 

Verneemt gij nog de klanken der volmaking, nu gij nederdaalt in de oorden van de nacht? 

Hebt gij de innerlijke Schat des Vuurs besloten in uw binnenkamer en behoedt gij uw heiligheid tegen alle aanvallen der ijverzuchtige aeonen? 

Nietig als een mosterdzaad zijt gij, O ziel, maar de kracht der Onoverwinlijken is in u. 

Voorwaar, voorwaar, zo gij niet in uzelf gelooft, zal de tegen-stander komen en u uw Licht ontstelen, opdat hij machtig worde, en, schaterende, u overwinne! 

Laat u niet misleiden, door hen, die spotten om uw kleinheid, maar laat u des te meer leiden door hen, die u ontmoet in het Rijk des Geestes en die de Kracht kennen die in u is. 

In het rijk des doods: spot niet met de dood, maar negeer hem en wendt u tot het leven, dat een reflex is van de eeuwige Beweging des Almachtigen, waarbinnen vuren in- en uitgaan zonder hun kracht te verliezen. 

Zoek met uw zielekracht de kern des levens, waarin de Stem van den Algoede besloten ligt, en verbindt u met de Adem der vernieuwing, opdat gij de dood buitensluite en gij zijn alles bevriezende adem niet ervare. 

Weet, O ziel, zo gij vervuld zijt met de Kracht der Hoogste Realisatie, dat gij slechts het onreine behoeft te beroeren om Reinheid te erlangen. 

Keer u tot hem, die biddende zoekt en schenk van uw Rijkdom. 

Keer u tot hem, die verlangende nederknielt en plaats hem op de Top der Bergen. 

Keer u tot hem, die hongert en dorst en onkundig is van de verborgen Rijkdommen der Eeuwigheid en voed hem. 

Sta niet toe dat de saturnale arrogantie uw daden ontkracht.  

Sta niet toe dat denken, gevoelen en woorden schertsend spelen met de onreinheid van deze satanische heerser, maar verpulver de verstening en de verharding in u, en verlies de Wijsheid der eerste Aanraking niet! 

Gij hebt vertoefd op de Hoogten des Lichts en gij zijt verlicht geworden. 

Waarom zoudt gij blindheid voorgeven en doofheid simuleren? 

Niemand is wijzer dan hij, die de ervaring des Lichts bewaart en deze onbesmet voor zich heen draagt, wanneer hij wandelen moet door de modderpoelen in het rijk der natuurgebonden demonen. 

Gij zijt begiftigd met grote gaven, O ziel, zo gij daarvan uitdeelt ontvangt gij meer nog. 

Zo gij hen bewaakt als de vrek zijn geld, zult gij misleid worden door de flonkering en de armoede zal u doden. 

Wees daarom gelijk den Algoede.

Reken het kwade niet toe, loof het goede niet, maar blijf onveranderlijk, eenvoudig, deemoedig en besef dat hij die heden staat, morgen vallen kan in de afgrond der misleiding. 

Wees rechtvaardig door de diepten der ziel te peilen, en wees mededogend voor hen, die in hun onkunde hun eigen graf delven. 

Daarom: gij die de Hoogste hoogten kunt bestijgen en de diepste diepten leert kennen, wordt wijs en tel de golven der oceanen niet. 

Sta in de ommanteling van uw innerlijke Rijkdom en laat ieder die wil, komen en nemen van hetgeen gij bezit, om niet!

Zo gij kunt, o pelgrim, laat dan uw ziel reizen naar het onbegrensde land der verten.

Laat haar toeven in de sferen der onreinheid en laat haar heling brengen waar onheiligheid heerst, en laat haar rijkdom brengen waar innerlijke armoede heerst. 

En wees niet bevreesd, o pelgrim, de God der Levenden begeleidt uw ziel op haar reize. 

Indien het zijn mag, O Licht, laat de overwinning werkelijkheid worden. 

Amen

1970 - 2015, copyright Henk en Mia Leene