Vat moed, O pelgrim, en ga de levensweg bewandelen, waaraan gij de voorkeur geeft, niettegenstaande hoon en schamperheid u begeleiden. 

De overwinning is nog nimmer hen ten deel gevallen, die gefaald hebben uit gebrek aan moed, want de moed van de pelgrim is als een motorische kracht in hun zielen. 

Kent gij de moed, die niet door de angst wordt voortgebracht? 

Kent gij de moed der ziele-adel, die de keuze des levens tot het middelpunt van gedachten, woorden en gemoed maakt? 

Hebt gij, serieuze pelgrim, lang genoeg rondgedoold in de dreven der nevelige verten, om nu positief stelling te nemen in de strijd der tegengestelden? 

Er is een wereld van beweging om u heen, niettemin zult gij niet mede moeten bewegen, wilt gij de innerlijke beweging der ziel ontdekken, die verborgen ligt in het Individuum van den beginne. 

Ziet, hoe de waarden der mensheid reeds scheuren onder de hamerslagen der kosmische revolte. 

Hoort, hoe het donderende geweld van de naderbij komende apotheose de stemmen der onwetenden overstemt. 

Aarzelt gij niet te lang, pelgrim? 

Weifelt gij niet te lang tussen het uiterlijke zijn en het innerlijke Niet-Zijn? 

Niemand kan u dwingen uw keuze te maken, want in werke-lijkheid ligt uw keuze reeds in uzelf besloten, en hebt gij deze slechts naar buiten te dragen. 

Het valt u somtijds moeilijk om de trillingen der ziel te herkennen temidden van de chaos der klanken en vormen der saturnale overheersing. 

Weest daarom echter niet moedeloos, maar houdt uw innerlijke oog strak gericht op het midden van uw wezen, daar waar gij uw Individuum verborgen weet. 

Laat de moedeloosheid aan u voorbij trekken als een wolk langs de zon, en wacht rustig, in overgave en vertrouwen op het ogenblik waarin de zon der verlichting u wederom zal aanraken en de fijne trillingen der ziel in u zal doen bewegen. 

Hebt gij ooit, ernstige pelgrim, uw diepste geheimenis gedeeld met Degene, die u geschapen heeft en waaruit u ontstaan zijt? 

Hebt gij ooit de verkrampingen van uw denken, willen en gevoelen, blootgelegd voor de Enige, die weet te luisteren? 

Waarom sluit gij uzelf op in die gevangenis van eigen denken, willen en gevoelen en cirkelt gij rond binnen de ommuring van de saturnale dwangpositie? 

Waarlijk, gij hebt slechts uzelf naar buiten te tillen om de over-vloed des Lichts te ontmoeten, die buiten de saturnale ommuring glanst. 

In de stilte van de komende nacht, wanneer de dagelijkse beslommeringen zichzelf terugtrekken in de schaduw van de vergetelheid, kunt gij u bezinnen op het wezenlijke doel des levens, op het Doel dat gij, pelgrim, u gesteld hebt en dat soms lijkt terug te wijken in de onherkenbare verten. 

Hebt gij niet begrepen dat dit Doel nader zal komen zodra gij het sterker met uw wezen verbindt door het dagelijks te belevendigen door uw denken en uw verlangen? 

Hebt gij nooit geweten, o pelgrim, dat het verlies van geluk en wijsheid, nauw samenhangt met uw levensdoel, dat gij zo snel uit het oog verliest, wanneer de dagen zich vullen met materiële waarden? 

Gij wendt u slechts tot een machtig Opperwezen, wanneer de duisternis u dreigt te verstikken, wanneer de materie u dreigt te benauwen en de aeonische geweldenaars u bedreigen. 

Uw verlangen wordt uit nood geboren, pelgrim! 

Beseft gij niet dat het verlangen der zielegeborenen geen noden kent, maar slechts het vanzelfsprekende antwoord is op de vraag des Allerhoogsten? 

Hebt gij, o ziel, in uw verlangen naar Licht, reeds het eigenbelang verloochend? 

Hebt gij verleerd het Ik centraal te stellen in uw levenswandel? 

En hebt gij opgehouden te streven naar de vruchten van uwe werken? 

Uw werken, o ziel, mogen uw dagen en uw nachten vullen, moge uw gedachten leiden, uw gemoed verootmoedigen, uw willen verlichten. 

Uw werken zullen niet steeds opgemerkt worden door de wereld, maar zij zullen vruchten voortbrengen die de wortel van het kwaad niet zullen kennen. 

Vraag niet waarop gij recht hebt, vraag niet wat uw beloning zijn zal, maar doe hetgeen uw geweten u zegt te doen en hetgeen uw intuïtie herkent. 

Uw begeren zal sterven tijdens het verwerkelijken van de vele daden, die de ziel kan tonen in een wereld, die zielloos geworden is. 

Niet de intelligentie van het brein brengt u tot de hoogste Wijsheid, o ziel, maar de daden die u ingegeven worden door de gestrengheid van het geweten. 

Wat opent gij uw mond om woorden van lofprijzing te uiten, pelgrim, indien gij niet verstaat de Goedheid van de Ondeelbare Kern des Universums?

Wat bouwt gij toch voort aan gedachtenbeelden, die allen in zichzelf verdeeld zijn en gedwongen worden zichzelf op te lossen in de wielingen der tijden? 

Waarom verliest gij uzelf in de speculatieve beschouwingen over God en Licht, wetende dat gijzelf de gespletenheid van uw wezen nog niet hebt overwonnen?

Wees nederig, pelgrim, en zo gij meent Wijsheid te ontvangen, wees nederiger dan nog, zoals het de wijzen betaamt. 

Want de Wijsheid van de Kennis Gods valt niet ten deel aan de groten dezer aarde, maar verenigt zich met hen, die geleerd hebben zich te verdeemoedigen. 

Heiliging is een genade. 

Heiliging is de hoogste eenwording, waarin elke vorm van verdeeldheid en ziekte ondergaat en de pelgrim onlosmakelijk verbonden blijft met de Zon des Geestes. 

Gij wilt helen en geheeld worden. 

Wel, ernstige pelgrim, vergewis u ervan dat de vaas waarin gij het heelmakende water en het reinigende vuur halen gaat, geen enkele barst vertoont, opdat gij de materie des heils niet verlieze, en, pogende, zelf vernietigd zult worden door hetgeen gij opgeroepen hebt. 

Machtig en trillend komen de klanken der lichtende verten op u toe, en heel uw ziel zwelt van verlangen om zich te laven aan de bron dezer heerlijkheid, maar daar is de onvolmaaktheid, die haar aankleeft, daar is de saturnale verontheiliging, die haar omkleedt als een grauw gewaad. 

Het is daarom nodig dat gij u reinigt, dat gij uzelf heelt, alvorens gij heensnelt om anderen te helen. 

Legt gij u daarom ter ruste, pelgrim, in deze omarming des Geestes en laten uw gedachten en uw gevoelen vrede vinden door de u aanrakende trillingen. 

Wapen u niet met de angst om het ongekende, noch met de arrogantie van de eigengereide wil, maar leg alles af, dat uw ziel beletten kan de Hoogten te bestijgen, die haar roepen. 

Zie, de volmaakte stromen uit het Land van over de Jordaan snellen u tegemoet en willen u opnemen in die alles vergetende, alles helende, alles reinigende beroering, waarin het Ik terug-gewezen wordt naar het rijk der tegengestelden en waarin de ziel zich eindelijk vrijmaakt uit haar kerker. 

Er is niemand die u leed berokkent, niemand die u wondt, u doodt, u straft. 

Werp de ketenen van u! 

Breek uit die kooi der vrezen en belemmeringen! 

Gij staat vrij en onbevreesd tegenover de trillingen des Hemels en uw ziel zal luisteren, en helen, en harmonisch worden. 

Laat uw denken achter bij het Ik in het land der tijdelijkheid.

Laat uw gemoed stil worden en ophouden zich te verbergen als een schuwe vogel. 

Laat uw wil zichzelf vergeten, zijn belang niet achten.

Niets staat er tussen u, o pelgrim, en de Kracht des Geestes. 

Laat uw ziel zich bewegen en komen en zich overgeven aan haar trillingsvolheid. 

Opdat zij Kracht zal ontvangen, opdat zij verder zal leven, opdat zij u, pelgrim, zal leiden op de Weg der Verborgen Wijsheid. 

Zo gijzelf geheeld zijt, heel dan anderen; zo gij zelf harmonisch zijt, schenk dan harmonie aan anderen; zo gij zelf één geworden zijt in die alles omvattende trilling uit het Absolute, breng dan de verdeeldheid in anderen tot eenheid. 

O pelgrim, die de ziel als waardevolle Schat mededraagt, en zegt deze lief te hebben boven alles, 

toon uw innerlijke rijkdom, 

toon uw wijsheid, 

toon uw ernst, 

want de mensheid gaat onder door innerlijke armoede. 

Vul u dan met de Rijkdom der Eeuwigheid, O ziel, en behoedt de Schat der Goden totdat gij terugkomt in het dal der disharmonie. 

Amen

1970 - 2015, copyright Henk en Mia Leene