Er is, O mens, zoveel geween en de weeklachten stijgen ten hemel in een onophoudelijke stroom. 

Er is een bitterheid die het hart verhardt en een vrees, die de mens zijn vrijheid neemt. 

Vanuit de benauwenis der natuurgebonden begrenzingen trachten de zielen zich te verheffen tot de trilling des Eeuwigen Levens. Overal is er een hunkering naar harmonie, naar rust, naar vrijheid en leven. 

Deze hunkering der mensheid is de oorzaak van haar gevangen-schap, en van haar slavernij aan hen, die slechts op hun eigen belang uit zijn. 

Daarom is de basis voor uw zielegroei uw vrije zielehunkering. 

Angst is het gevolg van uw slavernij aan allerlei persoonlijke en onpersoonlijke machten binnen deze natuursfeer, elke vorm van angst bewijst uw gebondenheid. 

Gij kunt uzelf leren kennen door uw innerlijke bewogenheden, o pelgrim, zo gij de moeite wilde nemen een ogenblik stil te staan bij de diepste impulsen van uw eigen zelf. 

Waarom verdiept gij u zo dikwijls in de ervaringen van anderen, terwijl uw eigen wezen een onontgonnen terrein blijft? 

Binnengaan in uw eigen zielegrot is dikwijls pijnlijker dan ongenood de zielegrot van uw naasten te betreden. 

Daarom verbergt gij uzelf in de duisternis van het "niet-willen-kennen", opdat de Waarheid u niet wondde en uw geflatteerde beeltenis ontluistere. 

Wel, ernstige pelgrim, gij zult niet voort kunnen gaan tot aan de Majestueuze Thuiskomst, zo gij niet van den beginne de Waarheid in uw banier medevoert. 

Gij zoekt deze Waarheid in anderen, hoewel gij de grond der Waarheid allereerst in uzelf zult moeten bevestigen, alvorens gij deze Waarheid aan anderen en in anderen bekend kunt maken. 

Zo is het ook met de Reinheid. 

Reinheid is het fundament waarop het Tehuis der Volmaking opgetrokken wordt. Alle duisternis, alle disharmonie, alle onvolkomenheid en dwaling berusten op het ontbreken van de Reinheid. 

Hoe zult gij de aanwijzingen van den Ene Volmaakte kunnen opvolgen, o pelgrim, zo gij de Reinheid niet kent, wellicht niet eens in haar meest grofstoffelijke vorm? 

Hoe kunt gij menen, dwaze pelgrim, dat uw levenspatroon getekend kan worden in de modder der onreinheid, terwijl uw ziel de ingevingen der Reinheid moet volgen? 

Meent gij werkelijk dat uw lichaam los staat van uw ziel? 

Dat uw denken zich heimelijk bewegen kan langs diepe afgronden, langs modderige poelen en vuren van haat en hartstocht, terwijl uw ziel hunkert naar Licht en Leven? 

Hebt gij uzelf zozeer bedrogen dat gij een leven van gespletenheid wilt volhouden, daar de Waarheid u terug zou werpen in de verstening der materie, waar uw ziel voor terugschrikt? 

Gelooft u werkelijk, zo u eerlijk bent tegenover uw innerlijk tribunaal, dat een leven een louter disharmonie, van schijn-spiritualiteit, en van schijnheiligheid uw ziel zal behoeden voor het oordeel des Almachtigen? 

Meent gij werkelijk dat gij die Kernkracht des Universums kunt bedriegen gelijk gij uzelf bedriegt? 

Hebt gij dan, arme angstige pelgrim, nog niet geleerd dat de ziel haar Levensvoeding niet vindt, zo gijzelf de betekenis der Reinheid, Waarheid en Liefde niet begrijpt? 

Hebt gij nog steeds niet geleerd, door uw ervaringen, door uw smarten, dat uw ziel gebroken wordt door een Leven van tegenstrijdigheden? 

Bemerkt gij niet hoe die voortdurende op- en neergang van licht en duisternis in uw gemoed u uitputten en tenslotte nederwerpen als een wanhopende pelgrim? 

Beseft gij niet dat de energie, de vuurkracht die gij zozeer van node hebt voor de grote Thuisreis, u doorlopend ontstolen wordt, ja, dat gij u deze laat ontstelen, slechts omdat gij lauw zijt, en wilszwak en on-vrij? 

Hoewel gij hunkert naar Rust en Eenvoud en Harmonie komt gij om in de veelheid der ideeën, in de ontelbare goede voornemens, in de opbouw en afbraak van gedachtenbeelden, die u slechts een ogenblik van nutte waren. 

De oorzaak voor uw hopeloze strijd en uw misvattingen ligt in uw hart, pelgrim. 

Uw hart is de afvalkuil en de begraafplaats uwer emoties en uwer gedachtenbeelden. 

Vanuit uw hart stijgt voortdurend de geur op van stervende beelden, een sluier van stervende trillingen benemen uw hart het uitzicht op de geboorte van de Ene Reine Waarheid en de onbesmette Liefde. 

Uw hart is uw leven. 

Uw hart vormt de Poort der Inwijding. 

Uw hart is de innerlijke Middelaar, die de Waarheid omtrent uw diepste wezen kent. 

Wat gij ook doet, pelgrim, uw hart verraadt uw Waarheid. 

Waarheen gij u ook wendt, uw hart zoekt zijn eigen wegen. 

Uw mond vertelt van de tragiek uws harten. 

Uw gedachten wentelen zich rond de onreinheid uws harten. 

Uw wil is onbewust de slaaf uws harten. 

Uw hart is ziek, O pelgrim. 

Het kent niet meer de heerlijkheid van de ontvangenis der Godskracht. 

Het kent slechts emoties, bewogenheden, veroorzaakt door het valse vuur der disharmonie. 

Gij kunt tegen de hunkering des harten inleven, totdat de ziekten der onevenwichtigheid u treffen, dan keert gij wellicht voor een ogenblik tot de leiding des harten terug. 

Dit hart-denken werpt u temidden van het leven, van de er-varingen, die u van node hebt, zij mogen hard dan wel balsemend zijn! 

Uw hart plaatst u immer op de plaats die u toekomt.

Daarom verbergt de mens zijn hart; schaamte weerhoudt hem de Waarheid te vernemen. 

Zo uw hart voor u uitsnelt op de wegen der Grote Thuisweg, zijt gij een gelukkige pelgrim! 

Gij kunt volgen en in eenheid met uw diepste zelf leven. 

Gij kunt de Waarheid zien en behoeft geen vrees te koesteren. 

En gij zult voorwaarts komen, O pelgrim, want door de hartepoort zal het Licht op u toestromen en u zo tot Leidsman zijn. 

Hij die zijn hart niet kent, of niet wil kennen zal de Grote Thuisweg niet kunnen blijven betreden. 

In de Stilte, die gij schept tussen u het het Absolute, zult gij uw hart moeten doorgronden, moeten doorgraven, opdat gij wete voor welke macht uw hart de toegangspoort geopend houdt. 

En dan zult gij, in die u omvathoudende Stilte, de Waarheid des harten moeten aanvaarden, ook al is deze hard en bitter voor uzelf. 

Het is beter in Waarheid enige schreden terug te doen, dan in schijnheiligheid u vast te klampen aan de schijntoestand die gij mogelijk hebt opgebouwd. 

De Stilte, die zich verheffen kan tussen u en den Absolute, in die momenten, waarin uw persoonlijkheid, murw geslagen, zwijgt, is geen meditatie-stilte, geen moment van zelfverwerkelijking en zelfbedrog, maar deze Stilte vormt in de aanvang de werk-zaamheid der verbreking, waarbinnen de Spiegel der Waarheid u voorgehouden wordt. 

Gij zult echter, zo gij ernstig voortgaat op de Grote Thuisweg, bemerken dat de slagen der verbreking u niet zullen wonden, noch u enige smart zullen berokkenen, want de trilling van den Absolute beschermt u tegen alle leed. 

Uw ik meent een schijn-levenshouding te moeten opbouwen, omdat het smart en dood en verbreking vreest. 

Uw ik kent de Heling des Allerhoogsten niet en vreest slechts hetgeen het meent te kennen. 

Daarom, hij die zonder vrees en in Reinheid zichzelf tot de Waarheid wendt, vindt de Liefde als een beschermende mantel om zich heengeslagen. 

Verlies uzelf in de Stilte der Eenheid met den Absolute en daal neder in de spelonk uws harten, en reinig deze - wat er ook komen moge! 

Slechts zo, en gij weet dit, O pelgrim, slechts zo zult gij de Geboorte der Ziel kunnen ervaren. 

Werk daarom aan de Reinheid des harten in die ogenblikken van Volmaaktheid, waarin gij uw God herkent. 

Uit de hart-reinheid staat uw denken op als een herboren kracht en uw wil volvoert de werken die hart en hoofd hem opdragen. 

Uw Reinheid, O pelgrim, bewijze zichzelf in uw handelingen, in uw woorden, in uw wensen. 

Hij die rein is, kent geen ziekte.

Hij die rein is, ken geen angsten. 

Hij die rein is, kent geen droefenis. 

Hij die rein is, verontreinigt anderen niet, noch in woorden, noch in gedachten, noch in handelen. 

Hij die rein is, wordt een kanaal waar doorheen lichtende krachten af- en aanstromen, als een levenschenkende ademhaling. 

Zo gij deze Reinheid kent, O pelgrim, zijt gij genezen en zult gij genezen. 

Reinig u daarom, in dit ogenblik van Stilte, en houdt daarmede niet op, totdat gij Rein zijt als de Goddelijke Zielevlam, die uit het Hart des Allerhoogsten licht. 

Amen

1970 - 2015, copyright Henk en Mia Leene