Bezinningsmeditatie 85

Next

Ere zij de Almachtige!

Ere zij de Schepper van alles wat is!

Ere zij de enige en alomtegenwoordige God!


Amen


De ziel is als een ademtocht, geurend van heiligheid en zij is in mij, als een breekbare schat, die geen hand kan aanraken zonder hem te kwetsen.

Het leven is als een woedende golfslag, die het strand teistert, tijdelijk maar hevig.

Moge mijn ziel heel blijven in dit geweld, dat zich afspeelt onder de zweepslag van de elementen.

Zij, die leven en levend blijven, vermorsen geen sekonde aan de gedachte van mislukking en falen. 

Faalt de zee ooit? 

Falen de winden, de hemellichten, de aarde?

Zij, die de kennis des harten kennen, besteden geen gedachte aan ontrouw en verbreking.

Verbonden te zijn met de gouden draad van de Scheppende Alkracht, betekent de horizon doorlopend te zien gloeien in het geboortevuur van een goudglanzend Aurora.

Alles dat duisternis brengt, alles dat wanhoop oproept, alles dat vernietiging inhoudt, wordt door dit Aurora weggevaagd, verjaagd naar het land, waaruit zij kwamen. 

Een lichtloos en levenloos land, een land zonder lichtende Alkracht. 

Groot zijt Gij, mijn Schepper!

Gij weerspiegelt Uw aangezicht in het kleinste deel van Uw schepping, zoals in mijn ziel, waarbinnen Uw eeuwigheid glimlacht. 

Zou de bezitter van zulk een ziel kunnen wanhopen, over verbreking en dood mogen spreken?

Gij bevoorrechte Uw schepselen door hen tot getuigen te maken van Uw aanwezigheid, die kan zijn in een simpele handeling, een wonderbare gedachte of een flitsend inzicht.

Gij maakt het mogelijk dat de Kennis van het Hart, die Gnosis wordt 

genoemd, als een Aurora doorbreekt in een mensenhart, zijn ziel verrukt, zijn hele wezen doortrekt als een gebed, gevormd uit onuitwisbare herinneringen. 

Het leven is als een korte, hevige golfslag op het kiezelstrand, waar glinsterende kristallen rusten naast grove kiezelstenen. 

Allen verdragen de golfslag, want zij weten dat de zonnewarmte het geweld weer vervaagt.

Uw Kennis, die het hart koestert, is als een inzicht, Heer, en tovert een glimlach in de ogen der mensen, wanneer zij het geweld van het leven voelen, of de warmte van de oerherinnering hen doortrekt.

Tijdelijk zijn de vreugden, tijdelijk zijn de smarten. 

Helaas, tijdelijk ook is de sferenmuziek, waarin de ziel zich baadt, als zij luistert naar wat het hart haar vertelt over de Kennis, de Gnosis.

Velen zijn religieus, velen belijden een godsdienst, doch de enkeling kent de Gnosis, een Aurora, dat onvergetelijk is.

Deze Gnosis, de levende aanwezigheid van God, balsemt de wonden van de teleurstelling en verbiedt de bitterheid binnen te gaan door de poort van het hart.

Als het hart kennis ontvangt, verheugt zich de ziel en schaamt het verstand zich over zijn lichtloos weten.

Dan trekt het heden zich terug, de uiterlijke beeltenissen verliezen hun scherpte en er blijft nog slechts Schepper en schepsel, één ademhaling, één wezen. 

Dan staat de alomtegenwoordige waarheid op uit haar bedekking van menselijke schermutselingen en zij smelt samen met de Gnosis, de kennis van mijn hart.

Dan weet ik, dat niets mij zal kunnen weerhouden mijn God te dienen met hart en ziel, omdat zij Hem toebehoren en uit Hem leven en door Hem geheeld zullen worden, lichtende dienaren van het Licht der Lichten.

Fluistert de rivier niet over dit geheimenis?

Ruisen de bomen niet over hun geboorte uit De Ene?

Lachen de lichtende sterren niet, omdat zij uit Licht voortgekomen zijn?

Zal mijn ziel dan niet 's wijsheids glimlach vinden, als zij de stem van haar Schepper herkent?

Wie is God anders, dan de ademhaling, die tijd en eeuwigheid verbindt? 

Wie is Hij anders, dan de harteklop, die het leven in mij brengt? 

Wie is Hij anders, dan de weemoed, die mijn ziel pijnigt en die zij toch niet zou willen missen?

God is daar, waar Zijn schepsel is.

Hij is daar, waar het hart Hem zijn liefde bewijst.

Hij is daar, waar de ziel Hem vindt, onverschillig in welk minuscuul onderdeel binnen dat grote universum. 

God is geen dode klank; mensen scheppen dode klanken, maar God ontstaat uit zichzelf en Hij is leven en licht. 

Leven en licht behoren bij elkaar; existeren en sterven behoren bij elkaar. 

Als de Gnosis mijn hart omvat houdt, wordt het doortrokken van licht en leven, het leven en het licht van de Schepper.

Geen ziel kan de andere ziel de Gnosis overdragen, slechts het hart kan zijn ziel betrekken in de Gnosis, opdat deze de herinnering van het Licht overdraagt. 

En dan zal zij juichen, deze bevoorrechte ziel, en zij zal op zoek gaan, onophoudelijk proevende waar zij dat Licht hervinden kan. 

Het hart waakt aan de poort, behoedt zijn Kennis des Harten. 

Het verlaagt zich nooit in onwaardigheid, noch sluit het zich op in de kilte van de afwijzing, maar het waakt over de weg van de ziel. Het laat de gedachten spelen in de tuin van het Paradijs, daar waar de heerlijkheid woont en waar de Levensboom ruist over de Goddelijke Aanwezigheid.


Laat ons hart wakende zijn; moge onze ziel zoekende blijven, gedreven door die oerherinnering aan het Licht der Lichten, en moge de Gnosis ons vergezellen op de hemelreis, tot waar hart en ziel het lichtende Aangezicht Gods zien.

Dan zullen wij de Vrede kennen en wij zullen geamuseerd het geweld van de golfslag des levens aanschouwen en onze blik zal de kristallen vinden op het strand van onze levensdag, tussen de grove kiezelstenen en wij zullen het weten koesteren als een rijkdom. 

Want hij, die uit eeuwigheid is geboren, laat zich niet ophouden door hetgeen tijdelijk is.


Amen

Epiloog

Het tijdelijke verbergt zich in de omarming van het eeuwige

en stoort zich niet aan het geweld der elementen.


Mijn ziel vertrouwt mijn hart,

dat wakende is aan de poort,

en de ziel wenkt, zodra de Kennis des Harten klopt,

om het Licht over te dragen aan zijn schepsel.


Al het uiterlijke bedekt het innerlijke,

al het geopenbaarde vertelt van het ongeopenbaarde,

en niets is er dat zwijgt over de Gnosis,

die getuigt van de Schepper.


Wees daarom rustig, mijn hart,

wees daarom vredig, mijn ziel.

Hetgeen onsterfelijk is, wordt onophoudelijk geboren,

en wat geboren wordt brengt pijnen mee.


De pijn, die loutert en beleert,

de pijn, die de ziele-extase voorafgaat,

de pijn, die wijsheid voortbrengt,

de pijn, die heling brengt!


Wees daarom vol vertrouwen, mijn hart,

wees daarom vol blijdschap, mijn ziel.

Hij, die u geschapen heeft, laat u niet sterven,

maar brengt u de wederopstanding.


Amen


Het Licht der Lichten verlaat Zijn licht nooit!




1970 - 2015, copyright Henk en Mia Leene