Waarheen ons oog zich ook wendt, het zal U herkennen in de kleinste facetten van het leven, in de scheppingen, die het kenmerk van Uw Hand dragen en in de elementen die alle geleerd hebben U te laten zien.

Heer zijt Gij, heersende over alles en allen.

Schepper zijt Gij, onmeetbaar met menselijke begrippen.

Het Al zijt Gij, waarvan wij slechts een deel vermogen waar te nemen.

O Heer, onpeilbare diepte, onbegrensde hoogte, waarmede zullen wij U kennen?

Door wat of wie vermogen wij U te verstaan?

Laat alles in mij Uw Loflied zingen, opdat het, bewegende, Uw trillingen zal kunnen ontvangen.

Laat al wat duister is in mij, hunkerende worden naar Uw Licht en laat het Lichtende in mij U eeuwig dank zingen. 

Op welke weg zullen mijn voetstappen zich drukken om U te kunnen vinden, Heer? 

Is mijn leven niet één lange weg tot U?

Klopt mijn hart niet vol vrede in het ritme van Uw levenszang?

Als vele stemmen U aanroepen, klagende hun nood, U trachtende te dwingen naar hun wensen, blijft mijn mond stom, Heer, want ik schaam mij U op deze wijze te bevelen met mij te zijn.

Zijt Gij niet altijd aanwezig?

Zijt Gij niet alomtegenwoordig? 

Waarom roepen zij U dan aan, terwijl Gij daar zijt?

Schreeuwen zij niet hun eigen blindheid, hun eigen onwetendheid en hun eigen ik-zucht uit?

Laat mij wandelen in de eenzaamheid, waar de stilte mij kan omringen en waar de ledigheid gevuld wordt door Uw volheid.

Laat mij bereid zijn aanwezig te zijn, waar men mij roept en laat mij een waardige getuige zijn van Uw mildheid, Heer, glimlachende om de domheid, met een hart dat geluidloos weent om de verdeeldheid van de mensen.

Leer mij bidden, Heer, op de wijze die Uw schepsel betaamt. 

Leer mij knielen, Heer, in de momenten waarop mijn knieën zich verzetten tegen de ootmoed, omdat mijn hart opstandig is.

Leer mij de kostbare edelstenen van de levenslessen te verzamelen en het waardeloze te laten vallen in de stroom van de vergetelheid.

Het leven roept vragen in mij op, waarop ik geen antwoord weet, doch ik wacht in de bescherming van mijn ziel, totdat Gij, Vader der Levenden, mijn hart wendt naar de zijde, waar Uw antwoord oplicht als een Aurora!


Waarom hoorde ik Uw stem niet eerder, Almachtige?

Waarom tastte ik rond als een blinde, hoewel ik mij verbeeldde ziende te zijn?

Houdt mij omvat in de bescherming van Uw Alwetendheid, Heer, zodat ik niet struikelend het vrijwel uitgewiste spoor der wijzen zoeken moet. 

Is niet Uw wijsheid een voortdurende bron van kracht, waaraan mijn ziel zich laven kan? 

Ach, moge Uw stem steeds sterker worden, moge Uw aangezicht steeds lichtender in mijn verbeelding gegrift worden, want de uren waarin ik mij verre van U gevoel, tellen dubbel en misleiden mij. 

Zij maken van mij een dwaas, die zich verhoogt op zijn ijdelheid en zich verlaagt in zijn slaafse onwetendheid.

Ik herken slechts mijn waardigheid, als Gij mijn hart en mijn ziel verlicht, Heer.  Roep mij daarom een 'halt' toe als mijn dwaasheid mij leidt.

De jaren gaan voorbij en veranderen zich in eeuwen en nog altijd zijt Gij het, die onder steeds andere namen de mensheid begeleidt. 

Ook in mijn hart verandert Gij ontelbare malen Uw naam en toch herken ik in U dezelfde, die Gij waart toen Gij mij neerlegde in de schoot van de wereld, opdat Uw school mij zou onderwijzen. 

Ik zag U komen in mijn kindertijd, toen ik speelde met de grashalmen, waar de wind zijn verhaal aan vertelde; en ik zag U gaan langs de stranden van mijn levenszee, toen mijn levensschip dreigde onder te gaan in de golven der meedogenloze ervaringen.

Ik zag U wenken, toen men mij boeide in de leerstelligheden en dogma's en men mij Uw nectar onthield. 

Ik zag U, Heer, toen ik neerkeek in het dal der schaduwen, terwijl ik stond op de bergtop van de eenzame hoogte, waar de koude mijn hart dreigde te bevriezen.

Ik zag Uw glimlach onder- en opgaan in het dal der schaduwen en begreep dat U mij begeleidde, onverschillig waar ik mij begeven zou.

Gij zijt het die licht en duister aaneenweeft, als een harmonisch tapijt van schaduw- en lichtvlekken, waarover de mensen mogen lopen op hun  pelgrimstocht naar de Regenboog. 

Mijn leven moge worden als die Regenboog, Heer, een toog van kleurenharmonie, die wereld en mensheid bemoedigt en opwekt tot voortgaan op een weg, die zich in het ongrijpbare en onverklaarbare verliest.

Gij zijt Heer, de eenheid van het zijnde en het niet-zijnde.

Gij zijt God, een Naam als vel anderen, hoewel Gij onkenbaar blijft.

Gij zijt mijn Begin en mijn Einde. 

Hetgeen zich daar tussenin afspeelt, is de wandeling langs de Regenboog van Uw Harmonie.  Laat mij mijn leven zien als het Werk van Uw Handen. 

Mogen mijn dagen gevuld zijn met Uw tekenen, opdat ik hen kan verzamelen en hen vlechten kan tot een gordel, die mijn lendenen zal omgorden, als ik de laatste trede van de hemelladder zal bestijgen, Heer!

Mogen Gij en ik hetzelfde Lied zingen, Almachtige, opdat mijn ziel leven zal! 


Amen

1970 - 2015, copyright Henk en Mia Leene