Bezinningsmeditatie 82

Laat de dromen voorbijtrekken

langs de hemel van de verbeelding.

Groet het Licht met een liefelijke gedachte

en ontwaak in het leven dat je liefhebt.


Wees gegroet, zon van de opstanding!

Wees gegroet, wind van de reiniging!

Wees gegroet, regen van de verfrissing!


Wandelende langs de diepten, 

klimmende naar de hoogten,

zal ik U ontmoeten, Scheppende Kracht!


Amen


De asfaltwegen leiden niet tot de Schepper der schoonheid, zo weeklagen de harten der mensen en hun voeten en hun blikken zoeken de getuigen van de levende natuur, waarin de aandacht van de Schepper gekristalliseerd is tot ontelbare vormen. 

De muziek van de fantasierijke verbeelding is reeds lang verstomd en de vogels haasten zich naar hun toevluchtsoorden, waar de begerige blikken der jagers hen niet meer kunnen bereiken.

De harten der mensen wenen in de leegte die hen omhult en hun herinnering zoekt tevergeefs naar de landen van weleer, waar geen levend schepsel zijn naaste naar het leven stond.

Voel mij, zegt de cypres, ik bewaar de energie van het levende. Hoor mij, zegt de eik, ik vertel over de energieën van de kracht. Zie mij, zegt de tijm, ik baad mij in de geur van de gedachte.

Filosofieën, droog als stervende planten, hoopten zich op in de hersenen van de mensen en verloren daar hun kracht, hun geur, en ondergingen offerend de ontlediging van de onwijze, die moet vernietigen, om hart en ziel van het levende te kunnen herkennen.

Ach mens, hoe dom waart gij om natuur en geest van elkander te scheiden, zo de ziel als nutteloze middelaar terug te wijzen naar haar isolement in het onbegrip. 

Heeft niet de heiligheid bepaalt, dat zij zich uitdrukt in drieën? 

Heeft de geest in zijn schepping niet de belevende drieëenheid verenigd, opdat er harmonie zou zijn tussen geest, ziel en natuur?

Wat wilt gij het beter weten, harteloze mens, wat wilt gij God tot adviseur worden en dit 'godsdienst' noemen, hoewel gij in werkelijkheid uzelve dient?

Als de geurende ziel van al het geschapene, zich laat meevoeren op de luchten, neemt uw ziel dan aan deze onbegrensde reis deel, mensenkind?

Zal uw zielegeur de overige scheppingen tot een welriekende reukstof zijn, 

waarin hun ziel zich verheugt, of sterven zij reeds bij de geringste beroering van uw adem?

Laat de geuren van levende zielen uw hersenen doorwaaien, zodat brokstukken van bittere ervaringen, van dorre dode filosofieën verdreven worden en uw ziel ontwaakt als in een geurig bad, dat haar nieuw leven schenkt.

Tob niet over wie goed is, mensenkind, maar doe hetgeen uw hart u aanraadt te doen, beluister uw ziel, verfijn haar geur door liefdevolle, oprechte en wijze daden en bemerk hoe er een eenheid groeit tussen al het bestaande.

Zo zal eenzaamheid van u gaan.

Pijnig u niet met de gedachte dat isolement de harde consequentie is voor godskinderen; alles zoekt zijn gelijke!

Niets staat alleen en verlaten tussen hemel en aarde, maar alle gelijken vinden elkander. Gij moet slechts ontdekken, wie gij zijt en niet werkeloos neerzitten op de treurigheid van uw onwetende gedachten.

Uw gevoel slaat een brug tussen al het zijnde; onderdruk het daarom niet, maar proef het!

Sluit u niet op in de cel van de afgescheidenheid of van de arrogante terugwijzing, maar roep uw intuïtie terug uit het mistige verleden, waarin het kommervol wegkwijnde.

Leer leven met het levende;  zendt uw signaal uit in de kosmos en bemerk hoe het antwoord terugkaatst als een echo uit het Land van uw gelijken.

Het is het uur van wederopstanding, mensenkind; heel de natuur weert zich tegen de aanmatiging van de onwetenden, die haar zelfmoord willenlaten plegen. De schepping kan niet sterven, daar zij het zaad van de wederopstanding in zich draagt! 

Zo ook gij, wezen dat hemel en aarde verbindt!

Waarom is uw intuïtieve gebed verstomd?

Waarom gaan uw voeten niet meer langs de weg der wijsheden?

Waarom begrijpen uw handen de influisteringen van uw gevoel niet meer?

Laat het wolvegehuil in de stervende bossen u niet deren, huil niet mede! 

Enigen moeten hun integriteit en weten bewaren en waarom zoudt gij niet één van hen zijn?

Verlaag uzelf niet tot een vormloos ding, terwijl gij de wetten van anderen aanvaardt; bezit elke sneeuwklok en elke waterdroppel niet zijn eigen karakteristiek?  

Waarom zoudt gij, waardevoller dan de vervluchtigende sneeuwklok en de opdrogende water-droppel, dan uw eigen karakteristiek moeten verliezen?

Zoudt gij dan niet zondigen tegen het principe van uw Schepper, mensenkind?

Velen suggereren u een 'niets' te zijn, maar hebt gij reeds ontdekt wie gij zijt, voordat gij u laat overweldigen door de stem van de begerigen?

De ontkrachting door mensendaden tast de natuur aan, maar gij, hebt gij geen rede ontvangen, die u waarschuwen kan, hebt gij geen geweten, dat u beschermen kan, hebt gij geen intuïtie,  die u onderwijzen kan in de onderscheiding tussen het juiste en het onjuiste? 


Roep uw Schepper aan in het levende, niet in het ontzielde.

Zoek uw geestelijke Zelf in het geestelijke in en om uzelf, zoek het niet in wetten en regels.

Dwing uzelf niet te zijn, zoals de mensen menen dat gij zijn moet, maar zoek de stroom van het eeuwig levende in uzelf en volg zijn bedding.

Pijnig uzelf niet met problemen, die zijn als poppen uit uw eigen poppe kast; laat de touwtjes los en gij zult bemerken hoe zij als levenloze en ongevaarlijke dingen in elkaar zakken.

Beluister de groei van het gras; verheug u over de wijze natuurwet van de energieke distel en de tedere liefelijkheid van het kleine viooltje.

Waarom zouden zij u niet beleren? 

Is hun les niet schoner, dan die van de dorre leerstelligheden, muf geworden door ongeloof, theorie en onbegrip? 

Waar sluiten werkelijkheid en fantasie beter ineen, dan in al het levende, dat de sterren in zijn hart draagt en de aarde met zijn wortels dient?

Zijt gij niet evenzo een schepsel van hemel en aarde, dragende de goddelijke ster in uw ziel, de geestelijke adem in uw hart, uw voeten de aarde kussende met hun ootmoed? 

Vindt gij al de tekenen van hemel en aarde niet in uw lichaam, in uw gedachten en gevoelens? Draagt uw wiel niet het licht van de eeuwigheid mede, zo u voerende langs wegen die de aarde onbekend zullen zijn? 

Waarom negeert gij de tekenen van de Levende? 

Waarom prefereert gij dode dingen, studerende in menselijke scheppingen, uzelf begrenzende door menselijke regels?

Laat de wijdse horizon uw vaderland zijn, u trekkende met zijn dringende verten. 

Zo zult gij gedrongen worden u te bewegen - ver weg - uzelf achterlatende - ontdekkende hoe grenzen verlegd kunnen worden, hoe menselijke wetten gebroken kunnen worden en hoe het ondenkbare en schijnbaar ongelooflijke zich realiseert op het moment dat de horizon aarde en hemel verenigt in een harmonische omarming.

Laat ziekte, ongeloof, beperking en maskerade achter u.

Verhef uw vleugels in intuïtief verlangen en onderga de eenheid van al het levende, daarin zult gij God vinden en hij zal dichtbij u zijn, als uw goddelijke ziel Hem begroet!

Ga de natuurlijk geestelijke normale weg van de intuïtie en noch afgronden noch hoogten zullen u deren en er zal niets moeilijk zijn.

Want wat is vanzelfsprekender en eenvoudiger dan dat het levende de Levende vindt? 


Amen

Epiloog

Aan de vier hoeken der aarde, 

wachten de elementen om zich te verenigen in de ether,

waarin het hart van een ontredderde wereld 

hulpzoekend klopt.


De stormen gevoelen zich losgeslagen, 

de luchten opgejaagd,

de vuren keren zich tegen zichzelve

en de aarde tracht zich te verdedigen tegen de begerigen.


De wateren hervinden hun kristallen ziel niet meer,

de scheppingen vervormen hun natuurlijke

lied der wederopstanding

en de mens vlucht voor zichzelf.


Waar zijt gij, Adam-Hevah, schepping van Mijn handen?

Waar zijt gij, Koning over water en vuur,

Heerser over aarde en luchten,

Spiegel van de wonderbaarlijke ethers?


De roep doet de hemelen trillen en doordrenkt de aarde.

Bereikt hij uw hart, uw ziel, mensenkind?

Want de tijden snellen naar hun einde

en de openbaring dringt.


Haast u, haast u, kind van de goddelijke elementen,

kind van de levende der Levenden,

het uur van de Ontmoeting nadert ras.


Amen


Hij die leeft — laat hij de Levende zoeken.




1970 - 2018, copyright Henk en Mia Leene