Bezinningsmeditatie 81

In de goddelijke Natuur 

zingen de harten der goddelijke schepselen,

Wees stil, mijn kleine hart,

Wees stil, mijn nietige ziel,

zodat de melodie van hun lofliederen mij omvangen kan.


Op de golven van de harmonie van hun zangen

laat ik mij meevoeren naar een goud-purperen einder,

waar Uw zon het zaad des Levens instraalt, O Schepper!


Amen


Het verlangen naar het heldere water van Uw levensbron vervult mijn hart met weemoed, Schepper.

De woorden die men mij gaf om de pijn te stillen waren nutteloos.

Als een onophoudelijke smart, omwille van de vergetelheid, die mij aan de ledigheid prijsgaf, trekt de zielehonger naar Uw brood der Vervolmaking door mijn bloed en dwingt mijn voeten tot het nemen van de smalle weg, waarlangs de eenzamen wandelen, slechts getroost door het licht der sterren, die in hun flonkering het lijden en de vreugde van de oude wijzen bewaren, wier schreden doorklinken in de echo's van hun levensweg.  

Die beluisterd worden door de hunkerenden, die niet meer weten waar te gaan. 

Ontelbare voetstappen bedekken de sporen, die wijzen naar de weg der waarheid. Maar de wegwijzers werden verwoest door hen, die de troost van de sterren en de stem van de winden niet vonden.

Als de snijdende stormen razen over het land der zoekers, vallen velen ter aarde en wenen om de armoede van hun onwijze harten en om de overmoed, die ontsproot aan de onwetendheid Dorre woorden stapelden zich op als koude stenen, waarop zelfs de vermoeide pelgrim niet rusten kan, omdat zij altijd te scherp, dan wel te nietig zijn, om het gewicht van de eenzamen te kunnen dragen.

Zodra de kreten van de onwetenden en de leringen van de arroganten wegsterven in mijn hart, hervind ik de warme kleuren van Uw hemellichten, Heer, die mijn ongeloof verjagen en mijn hart bezielen met de hoop van weleer.

Op de smalle weg, waar de pelgrims wandelen met in hun ogen het licht van een te verwachten morgenstond, ga ik als een aarzelende, de uitzichten trekken zich veelvuldig terug achter de duistere wolken van het verleden, dat dikwijls zo zwaar uiteen te drijven is. 

Langs mijn pelgrimsweg zijn de glooiende velden, vol geurende bloemen, die mij verlokken.

Wie zal mij beletten hen te plukken, Schepper?

Wie zal mij verbieden de schoonheid langs de zoekersweg in te drinken, als mijn hart dorst? 

Waarom zou mijn blik doorlopend gericht moeten zijn op de stenen en de gevaren die zich voor mijn voeten kunnen aftekenen?

Is Uw schoonheid niet de vreugde voor de eenzamen?

Behoren schoonheid en harmonie niet tezamen, daar zij voortkwamen uit Uw schoot der Vreugden, Schepper?


Het pad tot de waarheid is smal, maar zijn gestrengheid wordt verlicht door de schoonheid van de velden en de dalen rondom.  

De schaduwen van de bergtoppen behoeden de pelgrim tegen de felle hitte, die Uw zon uitgiet over het landschap der zoekers. 

Gij hebt mij de vrijheid geschonken, Schepper, een vrijheid die mij met U verbindt en waarin de tijd de eeuwigheid toewenkt, om met haar te gaan tot aan het goede einde, waar nog slechts de geest en de eeuwigheid zullen dansen op het ritme van de Almachtige. 

Laat mij de bloemen plukken in de velden langs mijn zoekersweg, Heer, want hun boeket is een getuigenis van Uw wijsheid. 

De bloem van de vrede, de bloem van de kennis, en de bloem van de reinheid zullen mij tot troost zijn in het licht van de sterren, als Uw zon ondergegaan is en de maan zijn taak overneemt, middels de spiegel van haar ontvankelijkheid.

Waarom zou mijn hart bevreesd zijn voor de gevaren op deze smalle weg tot de hoogten? 

Waarom zou ik de eenzaamheid en de verachting vrezen, zijn daar niet de schoonste wonderen, die de taal van Uw bescherming spreken, Schepper? 

In het lied van de krekel bij dag en in de roep van de uil bij nacht, zoek ik Uw aanwezigheid en als Uw zon opnieuw opgaat over die lange weg tot de hoogten, begroet mij de zang van de leeuwerik, die zijn vreugde om de wedergeboorte van het licht omtovert in een wonderbaarlijke melodie, waarin hemel en aarde elkander ontmoeten.

Talloos zijn Uw aanrakingen, Schepper, waarom zou mijn hart treuren, waarom zou mijn ziel in duisternis wenen?

Ik behoef slechts mijn ogen te laten weiden over al die tekenen van waarheid en wijsheid langs mijn pelgrimsweg, waar de vonken van Uw Geest in oplichten en ik zal U vinden, als een bevestiging, als een bemoediging, als een Wachter die mij dag noch nacht verlaat. 

Als mijn handen gevuld zijn met de levensbloemen van Uw Hof, zullen mijn voeten vanzelf de Thuisweg vinden en de gevaren zullen vervluchtigen en de aanvallers zullen terugdeinzen, want door de geur van Uw levensbloemen worden mijn hart en mijn ziel verbonden met Uw Hof. 

En de vrijheid die mijn ziel bezong in het koor van Uw schepselen, zal mij begroeten langs mijn pelgrimsweg, waar de wouden ruisen over Uw oneindige grootsheid, waar de beken murmelen over Uw vrede en waar de dalen en de bergen getuigen voor de eenheid van hoogte en diepte in het Land van mijn afkomst.

En wandelend op de zoekersweg troosten mij de sterren, de poolster bepaalt mijn richting, de maan bewaart Uw licht in mijn ziel en straks zal de leeuwerik mijn loflied laten klinken en ten hemel zenden. 

Omdat mijn blik Uw levensbloemen nog steeds vindt.

Omdat mijn hart Uw naam nog steeds kent.

Omdat mijn ziel Uw vrijheid nog steeds bespeurt.

En ik zal terugzien naar mijn vrienden, zij die van mijn ras zijn en die wachten aan het kruispunt tussen leven en dood.

En ik zal hen wenken en hen zeggen dat hetgeen de ouden zeiden waar is: hemel en aarde rusten in de palm van Uw Hand en uit hun vereniging komt de lichtende belofte.

Als een bliksemflits, als een vuurtong, als een koele waterbron, en allen kunnen gaan, want Uw liefde zal de bitterheid, het ongeloof en de hardheid uit hun harten wegnemen. 

De liefde glimlacht in de kleine wonderen die de pelgrimsweg sieren.


Amen

Epiloog

Vermoeid rust mijn hart in de palm van uw hand

en mijn ziel ademt de geur van Uw ziel,

Gedachten dwalen als zwervende vogels 

langs lichtloze hemelen,

waardoor het pad tot de hoogten 

zich verliest in 't landschap.


Ik beluister de klop van de eeuwigheid,

waarin de tijd zichzelf vergeten zal

en als mijn ziel vol is van de geur van uw ziel,

glanst opnieuw de hoop in mijn hart

en mijn gedachten worden als de leeuwerik,

klimmende naar de hemelen, lofzingend.


Op de weg der pelgrims, 

onder het licht der sterren,

doorgloeit van Uw zomerzon,

schenk mij Uw regens, Heer,

levensdroppels uit Uw Bron, 

die mijn moed verfrissen.


Op de bergtop waar de winden snijden,

in het dal waar de hongerenden klagen,

Wees aanwezig, Heer, in elke bloem, in elke steen.

Daar waar mijn weg eng wordt,

waar het uitzicht verdwijnt,

Laat mij Uw vrijheid om bloemen te plukken

in de velden van de kennis,

Waar Uw schoonheid nooit ondergaat,

als Uw beeltenis mij leidt.


Amen



1970 - 2015, copyright Henk en Mia Leene