Bezinningsmeditatie 80

Kosmisch Hart, Vader-Moeder van het Al,

Architect van het Volkomene,

bewaar Uw atoom in al het levende,

bewaak Uw vlam in al het lichtende,

bescherm Uw adem in al het zijnde,

want alles is het Uwe.


Amen


De bergen kijken neer op de dalen en laten hun koele adem strijken over de levenden, die dromen over de verten achter de bergen, die hem afschermen tegen de grote wereld, waar de fluisteringen van de wijzen zich voortzetten in het rumoer van alledag en verstrooid worden temidden van het spel tussen verleden en heden.

Gedachten drijven weg op het kleed der dromen en weven gouden werelden aan de einder van een levensweg, maar de realiteit vernietigt hen door het snerpende geluid van zijn signaal. 

Religies vangen de dromen van de mensen en bouwen kathedralen van hun angsten en spinnen klederen van hun schuldgevoelens, maar de wouden die de verdwaalden opnemen, blijken nog even ondoordringbaar en de dwaallichten weerkaatsen nog even onwerkelijk tegen de dreigenden schaduwen van de leugens. 

In hun binnenkamers wagen de mensen zich nog steeds niet te bekennen de oorsprong van de reine Bron des Levens niet gevonden te hebben. De eeuwen volgen elkander op, generaties herhalen hun ervaringen. 

De sterren trokken hun fonkeling niet terug, en de zon ontsteekt de bliksem met zijn vuur, als het Alziend Oog der Kosmos. 

De elementen vergissen zich in de jaargetijden en de winden gaan zwanger van de vergissingen der mensen, die zo zwaar worden, dat de eenmaal verkwikkende lentebries er tot striemende stormen worden, die de wateren en de vuren tegen elkander opzetten, zodat wereld en mensheid beangst toezien.

Van heel ver komt de roep van het kosmische hart, dat eens zijn wachtwoord schreef in het hart van de mens, waarin het als een zwijgende bliksemstraal woonde, zo het leven verzekerende van moed, kracht en vreugde. 

Als de elementen opgejaagd worden door verwarring en in mij de vier dienaars der schepping, zich ontkracht gevoelen door het vijfde, waar zal dan de zekerheid wonen, mijn Schepper?

Waar zullen de zielebloemen fluisteren met de geuren van Uw ziel? 

Waar zal de stilte gedragen worden door de afwachting, waarin de hoop glimlacht? 

Mijn blik verstart onder de grove feiten, die het subtiele verdringen en het kleurenspel van Uw Aurora aan mijn oog onttrekken en mijn hart zwaar maakt door weemoed naar de schoonheid uit het land van weleer, war de werkelijkheid mijnziel balsemde met de welriekende olie uit Uw Tuin des Levens. 

De tijd ondergaat de kastijding van de kosmos als een geduldige en de mens tracht haar wonden te helen, door het verleden te gebruiken als een wondermedicijn. 

Maar ik weet dat het kosmische hart zijn levensklop versterkt en dat zijn ritme velen verschrikken zal, hoewel tegelijkertijd  de melodie van het Grote Zijn daaruit vrij zal komen en degenen die eens aan Uw hart schuilden zal opwekken tot goede moed. 

Niets kan mijn ziel doen huiveren, Schepper, zolang zij gebed ligt in het geloof in U, waarin de herinnering aan het Land van haar Oorsprong doorlopend vervult met levenskracht. 

De scheppingen der mensen zullen uiteenvallen en hun rook zal de vreugde van het voorbijgegane uit de harten wegwissen. 

Maar niemand zal U, O Kosmische Hart, kunnen uitwissen uit mijn herinnering en zo zal het Leven in mij blijven, ook al zal de dood rondwaren met sluipende schreden. 

Zolang mijn hemelse Plaats aan de voet van de Levensboom, daar waar de hemelsteen rust, behouden blijft onder de koepel van mijn zielegeloof en de hoop haar bloemen plukt in dit Edem, zal de Liefde liederen tokkelen op de harp van de Geest, waardoor mijn ziel in verrukking geraakt. 

En mijn ogen sluitende, mij verbergende op deze hemelse Plaats, zal ik U zien in de spiegel van mijn ziel, en het zal goed zijn, mijn Schepper, oneindig goed. 

Want zo weet ik, dat alles om mij heen zal vergaan tot stof en de tegengestelden kunnen elkander bevechten als verbitterde vijanden. 

Niets zal het leven uit DE Levende geschieden. 

Want Uw Adem en Uw alziend Oog, als een leven verwekkende bliksemschicht, waarin slechts het onreine verbrandt, zal in dit levende zijn.

Gij grote Kosmische Motor, wiens Naam onuitsprekelijk is, die slechts gefluisterd kan worden door de ziel, die Uw Hart beluistert, blijf in mij, blijf in mij.

Want de terugweg tot de sterren, die als wachters Uw goddelijke Tuin bewaken, zal lang zijn en hoog en zo onaards, dat mijn kleine zelf zich schuilhoudt in zijn schaduw.

Gij, Alles in Allen - Licht van alle Lichten, mijn tranen zullen onder Uw aanraking stollen tot edelstenen en zij zullen de poort van Uw Hof sieren, als mijn ziel juichend daardoor wederkeert.

Het welkomstlied dat aan Uw kosmische muziekinstrument ontlokt  wordt door de zielen die reeds wederkeerden, boeit mijn hart en ontroert mijn ziel. 

Ik luister - ik luister, Vader van mijn ziel, moge Uw Lied immer sterker worden en mij trekken langs de stralen van Uw Licht tot in het Eerste Geheimenis, waar mijn Geboorteland zich aftekent tegen de openbaring van Uw Wezen.

Gij, die eeuwig zijt, bewaak het eeuwige in mij, zodat het eeuwige zal leven.


Amen

Epiloog

De Adem des Levens zweeft langs de velden van mijn ziel,

en bemoedigt de bloemen van de geest,

die het licht zagen wegsterven

in de schaduw van het menselijke streven.


Het muziekinstrument van het kosmische Hart 

schept een zang,

waarop hart en ziel elkander omarmen

in een dansend samenspel,

onderwezen aan het Hof der Goden.


De dringende roep van de Vader-Moeder tart mijn hart,

maar laaft mijn ziel met de parelende wijn

uit Uw goddelijke Ether,

die het Aurora tekent aan mijn horizon.


Daar draagt het geloof het zaad van de hoop,

en liefde draagt 's wijsheids glimlach over

aan een onwijze wereld, 

waar de bloesemgeur-der-vrede zielen zoekt.


Als de klokketonen van Uw kosmische Kathedraal 

neerdalen langs de hemelladder,

mogen zij dan gereed zijn

die het Uwe willen offeren op Uw altaar.


Amen


Moge de geur van onze ziel onze Schepper verblijden.




1970 - 2015, copyright Henk en Mia Leene