Bezinningsmeditatie 76

Daar waar de Hoogten zingen van de oneindigheid 

van Uw verten, 

ligt mijn hart in de bedding van Uw bescherming, Heer!

Ere zij U, dank zij U,

Al het levende zingt Uw lof!


Amen


In de nacht van de lotus luistert mijn ziel naar de tekenen van de groei, waar de zon van de geest zijn raadgevingen fluistert tot de dauwdroppels van het Aurora, dat de Nieuwe Tijd voorafgaat.

Liefkozend spelen de roodgouden stralen over de dorre overblijfselen van het verleden en ontlokken daaraan de muziek van de toekomst.

Het heden ziet toe en neemt het schoonste.

Mijn ziel opent haar kelk en drinkt de rijkdom in, die het heden uit het verleden restte en sluit beschermend haar bladeren over de geheimen der toekomst.

Mijn vertrouwen rust vreesloos aan de poort van mijn hart, waar Gij, Heer des Levens, in- en uitgaat als een goede Vriend.

Mijn rede beijvert zich het stof van de achterhaalde filosofieën, te verwijderen uit de kamer van mijn hart, zodat de Diepe Vrede niet gestoord zal worden als zij haar woning toebereidt. 

Vanuit de wereld, waar mensen elkander vermoorden in naam van de Allerhoogste, komen de klanken van beierende klokken op mij toe. 

Mijn gehoor verwondert zich: Is Uw moment gekomen, Almachtige? 

De tijd klopt aan mijn geweten, de drempel tussen leugen en waarheid zal overschreden worden.

De ernst van het ogenblik houdt mij gekluisterd aan de inkeer, waarbinnen Uw schoonheid een gordijn ophangt tussen het innerlijke en het uiterlijke.

Grote denkers hebben in edele woorden Uw lof bezongen, ik heb slechts de eenvoud gezocht onder de verbijsterende pronkzucht van de leegte, Heer! 

En ik vond de rijkdom van Uw waarheid.

Velen bogen zich in studie over de woorden, die eeuwenlang zich verzamelden in kloosters, gebedshuizen en bibliotheken en hun leringen verdoofden de mensheid.

De harteklop van het leven trok aan hen voorbij, terwijl de stenen muren ineenstortten en de kreten van vergelding zich aan hen vergrepen.

Gij zijt dichtbij, de ziel weeft van haar liefde een ragfijn koord, zo sterk, dat het ons verbindt zonder ooit te kunnen breken.

Waarom zou men mij moeten dwingen U te volgen, zijt Gij niet in mij en om mij? 

Zijn de dagen niet gevuld met Uw groet, die als een koesterende beroering langs mijn hart zweeft en het bemoedigt? 

In de nacht van de lotus zal ik het wonder zien, waarover Gij sprak, Vader, toen ik nog toefde aan het Hof der zielen, waar wonderen werkelijkheid zijn.

Mijn verstand heeft reeds lang zwijgen geleerd, wanneer mijn ziel haar geweten opent en de dromen uitbreidt in het Veld van mijn Verbeelding.

Het Aurora beweegt zich als een lichtende schim door de nacht van de lotus en waarschuwt de bloemen van mijn Levensboom. 

Het uur gaat komen!

Als de wereld wegglijdt in onwerkelijkheid en haar beeltenissen vervagen en plaatsmaken voor de beelden van mijn ziel, zal geschieden hetgeen zo lang geprofeteerd is. 

De velden van de geest zullen opbloeien en hun pracht tonen in een kleurenspel, waarover de mensen zich zullen verwonderen. 

Vijanden worden vrienden; strijd legt zich vol overgave aan het hart van de vrede; vernietiging glimlacht naar de wedergeboorte en de dood ademt de Bloem des Geestes leven in.

De demonen knielen aan de poort tussen tijd en eeuwigheid en laten zich ontwapenen door de goden, waarbij de muziek der sferen aarde en hemel omvat. 

In mij worden de lichten ontstoken in de spelonken der demonen, waar nu Uw geboortelied weerklinkt, Heer!

Als een opwekkende medicijn trekken Uw trillingen door mijn wezen en reinigen elke cel. 

Heb ik ooit geloofd in wanhoop?  Heb ik ooit geloofd in smart?

Heb ik ooit geloofd in onmogelijkheid?

Als Uw zon mijn levensboom kust door de opgang van het Aurora, is hij bereid zijn bloesem te tonen, is hij bereid zijn groene vruchten u toe te wenden, opdat zij kleuren zullen door het geluk der harmonie.

Kracht doortrekt mij, omdat ik mijzelf wedergevonden heb door U, Almachtige. 

Het sterfelijke trekt zich bescheiden terug en vergeet nog langer zich in hoogmoed te verheffen, pralende met vergankelijkheid. 

De natuur herkent haar meerdere. 

Gij zijt haar Meester, en Gij zijt in mij, Vader der Levenden!

De stilte neemt mij bij de hand en leidt mij op de weg tot waar de lotus van mijn ziel bloeit in de kleine Tuin der Goden.

Als een vlammende witte vlek reikt zij naar de hemelen, waar de hemelboog vanuit zijn hoogte op haar neerblikt en zijn wonderbaarlijke kleuren spelen laat over de reinheid van haar kelk.

Ach, ware de wereld wijs!  Mochten de mensen het geluk van hun zielen dragen in het hart van hun lotus, zodat het vergankelijke niet zou wenen om zijn eindigheid.

In de verborgen grot van mijn wezen, waar de nacht van de lotus zich voorbereidt op het wonder, zijt Gij de enige Aanwezige, Heer.

Vanuit deze verborgenheid, waar diepte en hoogte elkander omarmen, komt de levensstroom die mij de moed schenkt om verder te gaan.

Die mij de vreugde schenkt,  die leed oplost en die mij de kracht schenkt om de weg te nemen, die dwars door de velden der tegenstanden gaat.

Tot op de onvergankelijke toppen van Uw Levenstuin, Vader, waar Uw Aurora het eerste de aarde begroet.

Aan de voet van de Levensboom beluistert mijn ziel de onaardse muziek van Uw sferen.  Gezegend is zij!


Amen

Epiloog

In de Tuin van mijn vader zoekt mijn ziel naar de bloemen,

die niet vergaan zullen onder de aanraking van de tijd.

De herinneringen van haar oerweten 

weeft zij tot een melodie,

waaruit de Kennis opstaat om het heden te bewonen.


Heden, Heden, Heden zult gij met mij in mijn Hof zijn,

zingt mijn ziel,

en ik laat mij leiden door de droom die zij mij voorspeelt.


De nacht wordt tot een geheimenis, 

waarin het wonder openbloeit

en de helle dag trotseert, zodat hart en ziel zingen.


Gij staat onaantastbaar gegrift in mijn geweten, Schepper

en mijn Intuïtie voegt zich naar de bazuin van Uw stem:

Keert weder, Keert weder, Kind van Geest en Chaos.

Keert weder, Keert weder, Kind van de diepten der Oceanen.

Keert weder, Keert weder, Kind van duizend Zonnen!


En de Lotus sluit haar kelk over het hart van de Vlam.

Zij heeft HET verstaan!


Amen


De Diepe Vrede zij met u allen tot aan het Goede Einde.




1970 - 2015, copyright Henk en Mia Leene