Bezinningsmeditatie 74

O Almachtige Bron des Levens!

O niet te doven Vuur,

O niet te meten Licht,

O niet te peilen Wateren, 

O niet te kennen Eenheid der vele Scheppingen.

Moge Uw Adem in de Uwen blijven,

Moge Uw Hand de Uwen omvat houden,

Opdat HET Leven niet vluchten zal!


Amen


Goddelijke stromen van levend water, waarin de wijsheid zichzelf spiegelt, wier oevers u in deemoed beschermen.

Murmelend over de eeuwige herhalingen, spoedt gij u heen naar het grote Niets, waar de Volheid van de goddelijke Oceaan u tot zich neemt.

Neerkijkende op uw nijvere wateren, verlies ik mij in de diepten van het onkenbare, waarin de natuur zich vol overgave neervlijt in de schoot  van de geest, die haar bestemming bepaalt.

Waarom, O Kracht van het Al, is de mens de enige die zichzelf vermoeit met het zoeken naar het Onvindbare?

Waarom, O Alomtegenwoordig Zijn, is de mens de enige die zich uitput in disharmonie, om harmonie te verkrijgen?

In de Stilte, waarin de natuur neerknielt om haar Schepper toegang te verlenen, komt de wind nader, als een afgezant uit de ether en draagt het geheim over in mijn hart, waar het woning vindt en zich aan mij openbaart als een oeroud Weten.

Zoek de beweging die zonder tegenstand is; zoek de kracht die zonder einde is; zoek de vrede die zonder strijd geboren wordt.

Niemand kan u leren te leven volgens de wetten van de Eeuwige, zo zij niet in uw ziel aanwezig zijn, mensenkind!

De Stilte draagt haar Volheid als een pasgeborene, teder, zorgzaam, gewetensvol; en mijn ziel ziet neer in de diepten van de bewegende stilte, die langs de grenzen van natuur en geest haar pelgrimstocht maakt om de verloren Lichten weder te vinden.

In de Stilte tussen u en mij, Ziel van mijn geest, komen de oude geheimenissen boven en wikkelen zich uit hun kleed der vergetelheid, om zich te tonen zoals zij in mijn hart gegrift stonden.

Herkent gij hen, ziel?  Herkent gij hen, hart?

Herkent gij hen, mensenkind?

De moeiten vlieden heen naar de ledigheid, die hen schiep en de onwetendheid trekt zich beschaamd terug in de schaduw, die haar opwekte; en het ongeloof valt ter aarde als door de bliksem getroffen, niets achterlatende. 

Het aloude weten golft door mij heen als een verwarmende en verlichtende energie, mijn gehele wezen doortrekkend als nieuw leven. 

Ach, waarom zo lang getobd?

Waarom zoveel woorden zonder waarheid?

Waarom zoveel daden tegen beter weten in?

De waarheid die zich losmaakt uit de volheid van de stilte, heeft niets afschrikwekkends. 

Het is slechts verrassend dat ik haar ken.

Ook gij, mijn ziel, kent haar!  Ook gij, mijn hart, kent haar!

Honderdvoudig komen de misleidende gebeurtenissen op u af en hullen u in een kleed van vergetelheid, waarin u dreigde te stikken, mijn ziel, waarin u dreigde ontledigd te worden, mijn hart! 

Zie toe, dat gij blijft die gij waart!  Zie toe, dat gij blijft die gij behoort te zijn!

Zie toe, dat gij doet hetgeen de waarachtige Mens doen moet, mensenkind! 

Elke gedachte, gewijd aan uw pijnen, aan uw moeiten, aan uw verdrietelijkheden, is als een klompje modder, geworpen in de heldere stroom van levend water.

Te veel zulke klompjes en het water zal vervuilen en gij zult niet meer daarin kunnen schouwen, om het geheimenis van de onpeilbare diepten, waarin natuur en geest samensmelten, te kunnen ontwaren. 

Rust, mijn vriend, rust in de schoot van de eeuwigheid, waarin uw tijdelijkheid zich kan overgeven, omdat zij daaraan ontsproten is. 

Rust, mijn ziel, in de schoot van de geest, waaraan zij zich kan overgeven, omdat zij daaraan ontvallen is.

Rust, mijn hart, rust aan het Hart des Levens, waarnaar gij luisteren moet om te kunnen leven.


In het grote Al beweegt zich de Adem van de Almachtige, als een tere bries, die het dode begraaft en het levende aanzet tot leven.

Nergens weent het tijdelijke om haar tijdelijkheid; nergens rouwt het stervende om zijn komende einde; nergens klaagt er een boom om zijn verloren bladeren.

Waarom zoudt gij, Mens, begiftigd met de kracht der gedachten, treuren om wat heengaat en verwachten dat hetgeen komt, eeuwig leven zou?

Vreugde en verdriet glimlachen elkander toe uit eenzelfde wijsheid. Leven en dood houden elkander omvat in één beweging.

Luister naar de volheid van de stilte, mijn ziel!

Luister naar de diepte van de stilte, mijn hart!

Luister naar de waarheid binnen de stilte, mensenkind, zodat de Stem van het oerweten zich aan u bekend kan maken, zodat gij nooit meer zult dolen in onwetendheid, zodat gij nooit meer wenen zult uit wanhoop, zodat gij nooit meer spotten zult in ongeloof! 

In de diepte en de hoogte bevindt zich het oergeheimenis dat niet sterven kan, en gij zult in de diepte afdalen en gij zult de hoogten beklimmen, omdat uw ziel dit vraagt, mensenkind!

Ga dan in Vrede, ga dan in Weten, ga dan in Overgave, omdat gij meer zijt dan tijdelijkheid alleen, mensenkind!

Het eeuwige houdt u omvat en gij zult niet vallen uit de hoogten en gij zult niet ondergaan in de diepten, maar gij zult herboren worden in het Licht dat hoogte en diepte verbindt.

En gij zult wijs zijn, mijn ziel!

En gij zult barmhartig zijn, mijn hart!

En gij zult wetend zijn, mensenkind!


Amen - Ja - Amen

Epiloog

Als de wereld zich terugtrekt

en de stilte zich ontvouwt

worden de verten lichtend.


De ogen schouwen andere beelden 

en het hart heelt zich,

het onmogelijke blijkt werkelijkheid

en hetgeen gezocht werd, blijkt nabij te zijn.


De zekerheid ontsluit haar kelk als een lotus

en toont de glimlach van het grote Geluk,

dat mij doortrekt 

als een golf van genade en heiliging.


Niets zal meer worden als voorheen,

niets zal meer verdrinken in smart en pijn,

omdat Gij, Vader van mijn ziel, binnengetreden zijt

aan de voet van mijn Levensboom

en haar kroon tooit met gouden wijsheid,

zodat haar vruchten vol kracht zullen zijn.


In de volheid van de stilte

tussen U en mij, Schepper,

verbergt zich de eenheid

die ons, te allen tijde, samenbindt.


Amen


In het verbond tussen u en mij, mijn ziel, worden alle demonen gedwongen te knielen!




1970 - 2015, copyright Henk en Mia Leene