Ach, woorden schieten tekort om U te omschrijven, Enige Schepper. 

Mijn tijdelijke wezen put zich uit in aanbidding, hoewel het U niet kent, maar geeft gehoor aan de drang van de Lichtende, die zich onophoudelijk in hem beweegt, als een herinnering aan de eeuwigheid, waarin dood en leven één waren.

Het bestaan in deze wereld van eindigheid, waarin de dood en het vergankelijke vanzelfsprekende metgezellen zijn, word ik gepijnigd door de herinnering aan de Eeuwigheid; aan goddelijke Velden vol onsterfelijke Bloemen; aan zangen die de krachten van Uw Hart aaneenrijgen op de zeer harmonische melodie van het Levende, dat gelooft in de eeuwigheid. 

Als een vreemdeling dwaal ik rond en zoek in filosofieën de verloren klank, die de Diepe Vrede herstellen zal in mijn grot van Bethlehem.

Helaas, eeuwen bedekten de oertonen onder een last van holle klanken, die schel opklinken als mijn ziel hen vraagt naar de Ene Oerklank.

De waarheid dreigt onder te gaan  in de veelheid der menselijke scheppingen, die zich verheffen op de ijdelheid van hun leegte.

Mijn hart zoekt bescherming in het kleed van mijn ziel, die haar bemoediging onophoudelijk fluistert in mijn bereidwillige zinnen, die vermoeid zijn geraakt door ijdele beloften en zich daarom neigen naar de Oerklank, waarvan de echo vaag weerkaatst in mijn ziel.

Diep onder de bedekkingen vind ik de stilte, God, waar de geluiden van de protserige wereld voorbijgaan, als vergeten beelden uit een ver verleden.

Alleen met de herinneringen aan de eeuwigheid en het Leven in Uw nabijheid, voed ik hart en ziel aan een waarheid, die onvergankelijk in mij woont als deel van U, Vader-Moeder van mijn ziel!

Zij kunnen allen zeggen:

Het is een droom!  Vergeet wat was en zie wat is!


Maar Gij zijt, mijn Heer!

Niemand kan mij de werkelijkheid uit Uw Paradijselijke Land doen vergeten, want leeft Gij niet in mij, als een ademhaling, als een tastbare aanwezigheid, als een onvergetelijke Beeltenis? 

Vanwaar komen deze tekenen, als vergankelijkheid en dood mij toch omgeven als bewijs van de sterfelijkheid, Heer? 

Diep in mij fluistert mijn ziel:

Het is niet waar wat je ziet!  Het is jouw land niet! Het is jouw god niet, die de massa aanbidt!

Mijn ziel verheft zich als op vleugels tot de hemelen, waar zij de zekerheid vindt van Uw Bestaan, Lichtende Zon over alle zonnen!

Verrukt klimt zij langs de straal van Uw Geest omhoog tot vanwaar zij gekomen is in een vergeten oerverleden. 

Aan Uw hart beluistert zij opnieuw de bevestiging van die ene waarheid, die zich eveneens in haarzelf bevindt en waardoor zij leven kan in harde omstandigheden, in pijnen, onder leugens. 

Bevestig in mij Uw waarheid, Heer, 

Bevestig in mij Uw Vrede, Heer, 

Bevestig in mij Uw Eeuwigheid, Heer! 

Want ik wil niet ondergaan in dit land van strijdenden, die Uw Oerklank vergeten hebben en elkander trachten te vernietigen in de onheilige strijd om hun bestaan. 

Daar waar vernietigd wordt, zijt Gij niet, Heer!

Daar waar veracht wordt, zijt Gij niet, Heer!

Daar waar gehaat wordt, zijt Gij niet, Heer der Liefde!

Als een oceaan van klanken sluiten de vele woorden zich boven mijn hoofd, mij zoekende te overweldigen door hun hardheid, mij zoekende te overtuigen van hun recht, mij zoekende te winnen voor hun waarheid.

Maar hoe dieper ik val, hoe eenzamer ik word, des te dichter komt Gij nader. Gij, die woont in de grot van mijn wezen en daar de grond verzorgt, opdat Uw zaad ondanks alles groeien en bloeien zal. 

In de duisternis van mijn innerlijke grond, beluister ik de stemmen van hart en ziel, die met elkander spreken over de ene waarheid, die hen beiden verbindt en dat ZIJT GIJ, Oerbron! 

Daar verneem ik hetgeen mijn uiterlijke gehoor zo moeizaam vergaart uit de stromen van mensenwoorden, daar gevoel ik mij omringd door een sfeer van weldadigheid, die de leugens wegwist en geloof verwerkt tot zekerheid en hoop uitbouwt tot waarheid. 

Vanuit het diepste diep stijg ik opnieuw op naar de tijdelijkheid, mij vastklemmende aan hetgeen ik vernam achter de sluier van de tijd, waar de eeuwigheid zich beweegt als Schepper. 

De vormen vallen weg en de loze woorden vallen uiteen en de leugens gaan op in rook.  

HET Leven wenkt mij achter de stille glimlach van de deemoedige en in het hart van de bloem, die onbewust haar Schepper groet, en in de honger van mijn naaste, die zijn heimwee naar HET Weten uitschreeuwt in de pijnigende greep van de onwetendheid. 


Ik ben rijk, Heer! Rijker dan de rijksten van deze aarde, gelukkiger dan de gelukkigsten van deze aarde.

Ik schaam mij, omdat ik rijk ben, terwijl velen arm zijn, doordat zij vergaten te putten uit hun Oerherinneringen.

Laat mij daarom geven, Heer, daar waar armoede is!

Laat mij daarom leven, Heer, daar waar Gij gezocht wordt!

Overstelpt door de rijkdommen van Uw Licht, kniel ik neer aan de voet van de Levensboom en dank U, God der Levende Zielen!


Amen

1970 - 2015, copyright Henk en Mia Leene