Wanneer de leerling het Woord des Levens begrepen heeft, wanneer de trilling der Vernieuwing in hem weerklank heeft gevonden, dan vindt de verandering plaats. 

Dan wordt de leerling in het wordingsveld des Geestes getild en kan hij spreken: In U vind ik de kracht ten Leven, O Heer'

In zulk een mens is geen stilstand, geen eigenwaan, geen zelf-overschatting. In hem is de zo wonderbare aanraking der stilte tot een werkelijkheid geworden. Hij wordt tot een stille getuige van hetgeen zich om hem en in hem afspeelt. 

Hij schouwt het wonder der openbaring, en waarlijk, er is geen enkele emotie van twijfel meer in hem, want heel zijn hunkering is afgestemd op hetgeen zich aan het ontplooien is.

Als een machtige levensgolf stort zich de verandering over hem; hij wordt er door overspoeld; hij wordt medegevoerd in die alles overweldigende macht, die hem maakt tot een nieteling in de stroom der Alopenbaring.

In hem is niets dan verwondering, niets dan vreugde en deemoed. 

De disharmonische beroeringen van het aardse leven gaan aan hem voorbij als onwerkelijkheid. 

Hij heeft de nieuwe Werkelijkheid aanschouwd, deze ondergaan, en als een volkomen innerlijke verandering ervaren. 

Het oude leven is verdwenen in de schaduw van een duistere achtergrond; er is een Nieuw Leven geboren, dat hem wenkt en roept. 

Wel, kandidaat op het Pad van de Roos en het Kruis, kent gij deze verwisseling van levenswerkelijkheid ? 

Kent gij de aanraking van die bruisende, kracht schenkende stroom des Nieuwen Levens ? 

Kent gij de deemoed, die voortspruit uit de ervaren werkelijkheid des Lichts ? 

Kunt gij spreken: "In Uw aanwezigheid ben ik niets, o Heer ?"

Hebt gij uw voet gezet op de vaste bodem van de onver-gankelijkheid, die ligt in uw eigen Zelf ? 

Hebt gij die grond des Levens gevonden, o kandidaat ? 

Eerder kunt gij niet verder gaan. 

Eerder kunt gij niet voort gaan op dat smalle pad, dat aan alle zijden omgeven wordt door gevaren en afgronden. 

Uw zekerheid ligt niet in het Ik, niet in uw aardse bezittingen, niet in uw uiterlijke gaven of in uw capaciteiten, o kandidaat des Lichts. 

Uw zekerheid is uit God, door God en in God. 

Zo gij de Gnosis, die uit God is, vergeten hebt, zo gij haar niet kent als zijnde één met u, wel, dan is uw zekerheid de schijn dezer wereld.

Heden kunt gij als een koning staan op de grond van uw kwetsbare uiterlijk, doch morgen kunt gij met een gil ondergaan in de afgrond die zich plotseling voor uw voeten opent. 

Want hij, die de waan niet kent, hij die de maskerade van het ik niet onderkent, hij bezit geen lamp die het smalle Pad verlicht, noch bezit hij olie om een lamp brandende te houden. 

Vergeet de olie voor uwe lampen niet, zo gij lampen bezit; vergeet niet uw vaten te vullen met de brandstof des Lichts, en laat u niet misleiden door de aanmatigende arrogantie van het brallende ik. 

Want de ware kandidaat, die de Bruidegom verwacht, heeft geleerd te luisteren, o kandidaat. 

Hij heeft geleerd de voetstappen van de Meester reeds in de verte te herkennen en hij blijft wakende, want ook hij kent het uur niet, noch de plaats waar hij de Bruidegom en zijn Meester ontmoeten zal. 

Slaap niet in, u koesterende in de magische hypnose van de melodie der ijdelheid. De pelgrim op het Pad des Levens is arm, en eenvoudig; hij torst geen overbodige ballast en hij schuwt de beproevingen niet. 

Hij is de mens die alles afgelegd heeft, en die, als door een magneet  aangetrokken, slechts gericht is op de Ene, onvervangbare glans van de rijkdom der ziel. 

Waarom is uw weg zo moeizaam, o kandidaat? 

Waarom vinden uw voeten geen houvast en grijpt uw hand naar steun, omdat gij niet valle in de afgrond, die zich aan weerszijden van het Pad bevindt? 

Gij zult nimmer vallen, zo gij met een onverbreekbaar koord verbonden zijt aan het Licht, dat u vanuit de Hoogten omstraalt. 

Uw voet zal niet aarzelen, uw hand niet in twijfel naar steun zoeken, want uw steun en uw grond zijn IN u, o kandidaat des Lichts.

Zie, de Bron des Lichts is u nabij, hij is de werkelijkheid die waarlijk IS. 

Zo gij hem vind en herkent, bevestig uzelf dan aan zijn stromen en vraag niet langer in twijfelmoedigheid naar het waarom van het zijnde. 

Laat u reinigen door de stromen uit deze Bron en wordt opnieuw de eenvoudige pelgrim, die zijn aardse rijkdom achter zich liet. 

Amen

1970 - 2015, copyright Henk en Mia Leene