Bezinningsmeditatie 69

Houdt uw hart gericht op de wijdsheid 

van de lichtende verten, mijn vriend!

Kom nader, kom nader, Zon van Belofte 

en verlicht de moedigen 

die de dag der ontgoocheling niet schuwen!

Wees stil, mijn hart,

Wees stil, mijn ziel,

Wees stil, mijn gedachten,

Beluister het ontwaken van het alles vernieuwende Licht

en wees geduldig.

Ere zij U, Licht!

Ere zij U, Dageraad der Goden!

Ere zij U, Herboren Waarheid!


Amen


Niemand kan ontkomen aan de wonden van het leven, die littekens laten en hun leringen etsen in het geopende en verbijsterde hart.

Als ik terugblik op de dromen uit het verleden, die uiteen-gescheurd werden door de felle aanval van de gruwelijke waarheid, die meedogenloosheid paart aan licht en oprechtheid paart aan waarachtige leringen, dan buigt de liefde haar hoofd en sluit haar ogen voor het medicijn, dat werd toegediend door de Hand der Goden.

Heer, de tijden zingen hun ononderbroken refrein op de melodie, die de tegenstanden componeren en door het leven ontlokt aan het instrument van de natuur, waarvan de snaren gevormd zijn uit de gaven van de schepping.

Vreugde en leed, bitterheid en zoetheid, overwinning en ondergang. 

De eenvoud van de vanzelfsprekende wedergeboorte in de schoot van de kosmos slijpt het denken der mensheid aan de steen van de herhaling, opdat zij zal leren en zal vergeven en zal begrijpen.

Als de lichtende vingers van het Aurora de toppen van het oude land beroeren, om het te waarschuwen voor zijn komende einde, wenden de mensen hun ogen af en zingen het lied van wedergeboorte. 

Negerende de weeën, verdringende de smarten, zich dwingende handen, hoofden en harten los te rukken van de dingen die stervende zijn.

Temidden van de bewegingen in de hoogten en de diepten, die zich elkander toeneigen als vijanden die onder de druk van de overmacht gedwongen worden vrede te sluiten, sta ik als een vermoeide pelgrim, Heer, en wacht op het antwoord, waaruit blijken zal of mijn hart mij bedrogen heeft, of mijn ziel tevergeefs heeft gehoopt, of mijn denken nodeloos toefde in de goudglanzende verten van een Land vol goddelijke vreugden. 

In mij balsemt het geduld de wonden van hart en ziel en de hoop troost mijn denken, terwijl het geloof mijn twijfel omvat ,totdat zij zich ter ruste begeeft in het hemelbed van de overweldigende herinneringen.

Hoor, mijn ziel! Hoor, mijn hart!

Heel uw omgeving en al de u omringende krachten openen hun verborgen diepten en zoeken de vergeten melodie, waarvan de natuur de toon aangaf, opdat al mijn krachten het hunne bijdragen om de melodie van de tijd te doen wedergeboren worden in de melodie der eeuwigheid, die nooit stierf, maar sluimerde aan het hart der Goden, die zich schuilhielden in de diepten van mijn krachten.

Zijt gij mijn vriend, die niet mede beleven wilt dit grote geheimenis, dat zich prijsgeeft nu de hoogten en de diepten zich naar elkander overbuigen?

Zijt gij mijn vriend, die de leegte niet herkent achter de kreten van de beangsten en de schorre lach van de spotter?

Ach, mijn ziel, heb geduld, heb geduld en hul al uw onzekerheid in de mantel van de stilte, waarbinnen het geduld regeert over de pijnen van de ontmoediging.

Rebelleer niet, mijn hart! 

Vlucht niet, mijn laffe gedachten! 

Verberg u niet, mijn ziel!

Hetgeen geschieden moet, komt naderbij en gij zult rechtop staan in de stormen die alles en allen teisteren zullen.

Gij hebt geleerd te lijden, mijn ziel; gij hebt geleerd u nooit te verwonderen, mijn ziel; en gij hebt geleerd de waarheid te lezen achter de stervens- en geboortepijnen van het oude of het nieuwe. 

Zie, hetgeen gehecht is aan het stervende, klampt zich vast aan de zich krommende aarde en hetgeen zichzelf uitverkoren waant, tart het gevecht van dood en leven, maar zij die wijsheid opdolven uit de diepste schuilhoeken van hun wezen en de littekens waarnamen van leven en dood, zij zoeken met hun blik de horizon af en koesteren de deemoed in de 'kleine kracht' van hun zielen en zij hopen dat het Goed zal zijn, waarlijk Goed! 

Want Hij die oordelen zal, is dezelfde als Hij die woont in de zielen der koninklijke pelgrims. 

Zo zal alles goed worden, als het in u goed IS, mijn vriend!

Zo zal alles voorbijgaan als een ademtocht, als de Adem des Levens in u IS, mijn vriend!

En zo zal het Levende nimmer sterven, als de dood niet in u woont, mijn  vriend! 

Mijn Licht, mijn Licht, kleiner dan alle krachten!

Groter dan alle Zonnen!

Lichtender dan de dageraad van de gouden zomertijd.

Het zal Goed zijn, waarlijk Goed, als gij opgaat na deze nacht der tijden!

Ere zij U, Licht der Lichten, want mijn Licht is het Uwe!


Amen

Epiloog

De noodklok luidt, mijn vriend, 

bewogen door de hand der tijden,

en de natuur en de mens ontwaken uit hun werken.


De klanken reizen door de velden 

en zoeken zich een woonplaats in de huizen der mensen,

opdat zij aan het lied van de noodklok wennen zullen.


Want hetgeen geschieden moet,  zal komen

en het geween en het protest van de arroganten 

en de dwazen, zullen verwaaid worden 

door de bries van de voorbereiding.


Treedt binnen, treedt binnen, waarschuwende vreemdeling,

weest welkom, weest welkom, boodschapper der Goden.

Mijn hart bereidt de dis, opdat wij één zullen worden,

Gij, afgezant van mijn Hof, 

en gij, verdwaasde ziel die thuiskeert.


Weest welkom, gij vreemdeling uit het land der Waarheid,

want ik weet, het grote moment is DAAR!


Amen


En zij die gelijken zijn, vieren het feest van de herkenning, terwijl de noodklok luidt!




1970 - 2015, copyright Henk en Mia Leene