Epiloog

Buiten de Hof der vergankelijkheid gaat het Aurora op

aan de horizon van het onbegrensde Land.

Sluit de poorten niet, gij dienaren,

Sluit de poorten niet, gij vazallen des tijds,

Sluit de poorten niet, gij dwaze dromers.

Laat mij heengaan naar het Land dat de ziel mij wees,

toen ik neerzat bij de Boom des Levens,

die zich bevond in het paradijs van de stilte,

waar de vogels de eeuwigheid bezingen,

in de geuren van barmhartigheid, die de winden aandragen.

Sluit de poorten niet, gij die verblind zijt,

Sluit de poorten niet, dronkaards der begerigheid,

Sluit de poorten niet, ijdelen der imitatie.

Want ik hoor de klokken van de nacht

het laatste uur reeds aankondigen

en mijn ziel dringt mij aan tot spoed.

Mogen mijn voeten zich niet verwarren in de listige wortels

van uw begerige struiken, o vergankelijkheid.

Houdt de poorten nog een wijle open, gij slaven,

Houdt de poorten nog een wijle open, gij bedrogenen,

Houdt de poorten nog een wijle open, gij ijverzuchtigen.

Want ik zie het Aurora reeds opgaan

en mijn ziel bezielt mij tot kracht.

Wees gerust mijn ziel, op de Dag van de grote Vrede,

zult gij met de uwen in het Land zijn waar gij thuishoort!


Amen


1970 - 2015, copyright Henk en Mia Leene