Bezinningsmeditatie 68

O Licht, machtiger dan alle machten,

Gij hebt mij gedragen van het Begin tot het Einde.


O Licht, voortdurend aanwezige Kracht,

verberg Uw Aangezicht niet als ik roep 

in de koude verlatenheid.


O Licht, verborgen centrum,

waaruit alle dingen voortvloeien, 

houdt mijn krachten omvat!


Ik roep U aan vanuit mijn ziel!

Ik roep U aan vanuit mijn hart!

Ik roep U aan vanuit al mijn gedachten!

Hoor mij, Kracht van mijn kracht, want ik ben de Uwe!


Amen


Vraag niet waar mijn gedachten zijn, mijn vriend, zij zijn heengegaan zonder dat ik het bemerkt heb en zij zijn nog niet thuisgekomen in de oergrond van hun bestaan, daar waar de geest rust in de Adem van het Leven.

Vraag niet of ik de geest gevonden heb, mijn vriend, want ik ben aan het zoeken en weet niet of hetgeen ik heb gevonden de geest is, die zich beweegt in het centrum van al het levende.

Vraag niet waarom ik geen antwoord heb op de vragen, die de onwetenden mij stellen, want is het antwoord niet altijd aanwezig in ruimte en tijd?

Waartoe het antwoord zoeken op vragen, die niet de moeite waren geuit te worden, omdat de onwetendheid nimmer een antwoord vinden zal binnen de omheining van zijn duisternis.

Het grote Antwoord daalt neer op de vleugelen van de Geest en verbergt zich in de harteklop van het geestelijke en zal altijd gevonden worden door de schepsels die uit de Geest zijn.

Ga niet heen, mijn vriend, alvorens gij de bloem des levens gevonden hebt in het korenveld van de verborgen natuur, waar zij bloeit ter ere van de geboorte der eeuwigheid, die zich eindelijk bevrijdde uit de schoot van de zich pijnigende tijd.

Laat uw blik dwalen over hetgeen gij tot heden niet gezien hebt, mijn vriend, en bemerk hoe de knoppen van de toekomst openbarsten aan de Boom van de herhaling, en verneem de fluistering van de belofte, die de geest aan de tijd overdroeg, waarbij de mens opgenomen zal worden in de bewogenheden van onbegrepen krachtmetingen.

Is hetgeen gij doen moet waarlijk zo belangrijk, dat gij niet een ogenblik verpozen kunt bij de hemelse overdracht, waarvoor de aarde haar schoot opent en die haar zal treffen tot in het hart van haar bestaan? 

Zij, die zich haastig voortspoeden langs de stranden van het verdwijnende land, zullen u een dwaas noemen, mijn vriend,  maar wijs is hij die zichzelf een dwaas vindt bij God en de mening van de mensen durft te trotseren om het Ene Geheimenis van het voortbestaan te beluisteren, in zichzelf en in de schepping rondom.

Zodra de golven van de emoties breken aan uw voeten en de begeerte naar bezit uiteenspat op de afweer van uw gedachten, zal uw ziel zich verheffen in de kelk van haar goddelijke Bloem en u wonderen overdragen, waarvan gij het bestaan tot dan toe niet geloofd hebt.

Dan zullen de gebeurtenissen aan u voorbijtrekken als vreemde dromen en u niet meer beroeren, noch u ontledigen, want de wonderen van de ziel zullen u begeesteren en u bevestigen in het onvergankelijke leven! 

Ga niet te haastig langs de verborgen dingen heen, want het moment zal komen, dat gij uw haast zult berouwen en u beklagende over uw onbegrip, zult gij uw hart pijnigen met beschuldigingen.

Raap de kiezelstenen op die door het zand van het leven hun schoonheid verloren hebben en zoek niet naar de edelstenen die zich mogelijk zouden verbergen onder de modder van de overstromingen.

Zie de onopvallende kleine steen aan uw voeten, hij bevat de kernkracht van de schepping en hem reinigende zult u bemerken, dat de wijsheid van de Allerhoogste, zich eveneens bevindt in het minuscule leven, als in het geweldig grootse.

Dat wat nabij is, behoort u toe, dat wat zich binnen uw bereik bevindt, wil u iets mededelen. Vlucht niet verder langs de stranden van het onbekende, maar wendt u tot het bekende, dat zich in uw nabijheid ophoudt, omdat het bij u behoort. 

De horizon is verder verwijderd dan u denkt, mijn vriend, uw voeten zullen vermoeid geraken, doordat hun afdrukken zich zullen verliezen in het aan- en afrollen van de golven uit de zee van de onophoudelijke veranderingen. 

Uw handen zullen leeg blijven en uw hart zal geen vrede vinden, indien gij niet eindelijk stilstaat en u terugtrekt uit het landschap van de veranderingen, mijn vriend. 

Veronachtzaam niet het minuscule deel van de geest, terwijl u bezig bent het grootste te bemachtigen. 

Ontstond het allergrootste niet uit het allerkleinste? 

Delf dan dit machtige kleine op uit de aanwezigheid van het u omringende heden en volg de aanwijzingen op van Degene die spreken zal in de bewegende stilte, waarin natuur en ziel elkander verstaan. 

Blijf niet in de hof der vergankelijkheid, mijn vriend, want zijn poorten sluiten zich nu de zon van de dag-der-tijden ondergaat.

Blijf niet, blijf niet, ga terug tot het Aurora in de tuin van het Eeuwige Licht, want slechts daar zult gij het zaad vinden, waaruit uw goddelijke Bloem ontsproten is, mijn vriend!

Blijf niet in de hof der vergankelijkheid, maar ga de weg terug, die u gekomen bent vóór de poorten sluiten, mijn vriend!


Amen

Epiloog

Buiten de Hof der vergankelijkheid gaat het Aurora op

aan de horizon van het onbegrensde Land.

Sluit de poorten niet, gij dienaren,

Sluit de poorten niet, gij vazallen des tijds,

Sluit de poorten niet, gij dwaze dromers.

Laat mij heengaan naar het Land dat de ziel mij wees,

toen ik neerzat bij de Boom des Levens,

die zich bevond in het paradijs van de stilte,

waar de vogels de eeuwigheid bezingen,

in de geuren van barmhartigheid, die de winden aandragen.

Sluit de poorten niet, gij die verblind zijt,

Sluit de poorten niet, dronkaards der begerigheid,

Sluit de poorten niet, ijdelen der imitatie.

Want ik hoor de klokken van de nacht

het laatste uur reeds aankondigen

en mijn ziel dringt mij aan tot spoed.

Mogen mijn voeten zich niet verwarren in de listige wortels

van uw begerige struiken, o vergankelijkheid.

Houdt de poorten nog een wijle open, gij slaven,

Houdt de poorten nog een wijle open, gij bedrogenen,

Houdt de poorten nog een wijle open, gij ijverzuchtigen.

Want ik zie het Aurora reeds opgaan

en mijn ziel bezielt mij tot kracht.

Wees gerust mijn ziel, op de Dag van de grote Vrede,

zult gij met de uwen in het Land zijn waar gij thuishoort!


Amen


Hij, die leeft, herhaalt zijn belofte aan u, o ziel.

Op de Dag van de Diepe Vrede zult gij thuis zijn in het Land van uw geboorte. 




1970 - 2015, copyright Henk en Mia Leene