Gij, heiligste onder de heiligen!

Gij, eeuwige vlam van het onuitblusbare Licht!

Gij, die het universum in evenwicht houdt en de sterren en planeten bevestigt in hun baan!

Gij, die de winden en de luchten, de wateren en de vuren, de aarde en de rotsen hun plaatsen toewijst en hun wegen tekent langs de ethers!

Gij, die het Al in Uw Hand kunt houden zonder dat een atoompje beschadigd kan worden!

Gij, Meester over alle Meesters, Heerser over alle Heersers, Zon over myriaden Zonnen, laat Uw Vonk niet uitdoven in mij!

Laat Uw Kracht zich in mij bewegen als een eeuwige stroom en laat Uw Leven mij zijn geheimenis overdragen, opdat ik in Uw Leven bewaard blijf als binnen een gewijde ruimte, die deuren noch vensters bezit, niettemin mij beschermt en herbergt.

Al het levende is uit U voortgekomen en het zal U niet meer verlaten.

Hoe kan het geschapene zijn Schepper ooit vergeten, daar Gij U in Uw schepping verbergt? 

Hoe kan de schepping zeggen: Zie, ik ben duister en het duistere verbergt zich in mij, als Gij, Vader des Lichts, Uw Adem in Uw Scheppingen ingeblazen hebt en deze niet terugneemt, voordat de schepping zich opnieuw aan Uw Harteklop ter ruste legt en leert te ademen uit Uw Adem?

Hoe kan het duistere het lichtende bedekken, als Uw Bevel het ritme van licht en duister in beweging houdt en zij elkander afwisselen in het ritme dat Uw lichtende Wet aangeeft?

Hoe groot is Uw Wijsheid, hoe groot is Uw Macht, hoe groot is Uw Liefde?

Als Uw Schepping dreigt te bezwijken onder de intensiteit van de nacht, zendt Gij Uw tere Stralen van de dageraad, opdat hij zich het licht herinneren zal en op zal staan uit zijn vermeende duisternis! 

De beweging houdt het levende levend, de bitterheid laat zich beroeren door het zoete en het lijden laat zich koesteren door de vreugde en Uw Scheppingen trachten in hun aanrakingen de Bestierder herkennen, opdat Gij, Vader des Levens, dichter bij hen zal zijn en zij zich zullen herinneren,  dat Gij, als een voortdurende Aanwezige, rondom hen en in hen zijt.

Wee hen, die menen dat het Al zich buiten Uw wetten beweegt en op zoek gaan naar de oorzaak van Leven zonder dat zij HET leven kennen.

Zijn zij niet als figuren in de mist, die klagend ronddolen en elkander beschuldigen van hun verdwazing? 

Zouden zij zich ter ruste leggen in Uw Aanwezigheid, dan zouden zij openbloeien als een bloem en hun hart zou Uw klop vernemen en zij zouden opspringen en uitroepen: Zie, ik heb Het gevonden! 

Maar was Gij niet altijd dáár, O Levende? 

Was Gij niet altijd achter iedere beweging en onder iedere steen, en achter iedere lichtstraal? 

Als onze ogen verblind zijn geworden door de imitatiepracht, die mensenhanden en mensenhoofden hebben uitgedacht, wil dat niet zeggen dat Gij, eeuwig Blijvende, heengegaan zoudt zijn in de duistere oorden van de nevels, die verder slapen in de onbe-wustheid van het licht!

Neen! Gij zijt dáár!

Zij roepen U met allerlei namen, zij beschimpen U onder allerlei voorwendsels, doch Gij keert U niet af, want Gij kent hun domheid, en hun ijdele hoogmoed!

Het geduld is het fundament waarin de wijsheid haar zaad plant. 

Gij zijt geduld en wijsheid.

In U bloeien de velden van kennis en verdraagzaamheid en niemand kan 

U begrijpen zo het zaad van deze schoonheid zich niet in hem bevindt. 

In Mijn onvolkomenheid, bekleed met de hoop des lichts, wend ik mij tot U, Licht, dat alle lichten in de schaduw stelt, en ik vul mij met de beeltenissen van Uw Alkracht en laat mijn gehele wezen door U verlicht worden, zodat ik zal worden als een levend licht, één en al warmte, één en al vreugde, één en al moedig leven. 

Gij, Rots, Hoop, Aurora, de levenden vinden in U hun begin en hun einde en de doden zullen tenslotte ontdekken dat zij niet waarlijk dood zijn, maar dat het Leven zich slechts een ogenblik ophield achter een wolk van onwetendheid, omdat hun zintuigen doof en blind geworden waren! 

Hoe kan iemand zeggen: Ik heb geen hoop, ik ben wanhopig? 

Zie, is er een duisternis die geen einde neemt, is er een leed dat geen einde kent? 

Het levende golft door al het geschapene en fluistert de Naam van zijn Schepper doorlopend in de cellen van de schepping en niemand kan daarvoor doof blijven, die in zich de Adem van de Eeuwig Zijnde bezit. 

Elke schepping bezit die Adem! 

Ook gij, mens zonder hoop en gij, mens, gegroefd door het leed! 

Laat een ogenblik àf van uw eigen beeltenissen, die in een grauwe rij aan uw geestesoog voorbijtrekken. 

Wendt uw blik van hen af, zie, de verten openen zich en nieuwe beeltenissen komen op u toe, die uw hoop en uw blijdschap opwekken en u opnieuw bevestigen in de Adem van de machtige Levende, die uw Schepper is. 

Waarlijk, gij zijt ziel uit Zijn Geest, gij zijt sterk en machtig, gij zijt de deemoedige, die de goede Moed in u laat opwellen als een fontein, waar doorheen het Licht der Lichten zijn kleuren laat spelen en zo een etherisch muziekinstrument schept, waarop uw wezen zijn eigen melodie kan formeren.

Hoort! De melodie van de eeuwige verten trekt door u heen en herschept de klanken, die gij zo lang meende verloren te hebben! 

En gij bloeit op als een unieke bloem, gevoed door de aarde van het geduld, gedragen door de warmte van de myriadenvoudige Zon en gedrenkt in de dauw, die de hemelen in uw hart brengt. 

Gij wordt als een lotus, die geen menselijk oog schouwen kan, die geen menselijk oor kan horen groeien en geen menselijke hand aan kan raken.

Niettemin zijt gij daar, gelijk de Eeuwige dáár is en gij laat u meevoeren door de rivier van het eeuwige Leven en raakt met uw bladeren de oevers van vele landen, zoals uw hart de oevers van de zielen van uw naasten zal beroeren.

En gij zult dankbaar en vredig zijn, u bewegende op de ritmische ademhaling van de Allerhoogste en verzonken in de doorlopende overdracht tussen Hem en u! 

O gij, mensenkind, licht uit Licht, bewaker en bewaarder van de ziel, die schoner is dan alle lotussen van deze aarde, waak op uit uw verdwazing, ontwaak uit uw verblindheid, en zie het Leven dat in u is! 

En Leef!  

Zodat gij HET Leven om u heen zal verspreiden en zal uitdelen uit de gaven die u geschonken zijn! 

Want gij zijt een atoom van de schepping en de schepping ademt uit zijn Schepper! 

Vrede, Vrede, Vrede!  Dat is het Lied van uw ziel, mensenkind! 


Amen

1970 - 2015, copyright Henk en Mia Leene