Bezinningsmeditatie 65

O Bron van de levende wateren!

O Bron van vuur, warmte, licht!

O Bron van de liefelijke schoot der aarde!

O Bron van het komen en gaan der luchten!

O Bron van de middelende ethers!


Hier roepen uw schepselen U,

Daal neer, daal neer,

opdat wij één worden, Vader-Moeder!


Amen



Als de schaduwen hun vage handen uitstrekken en de natuur vangen in hun kille greep, zult Gij, O Licht, opgaan in de harten, waar de warmte van Uw koestering bewaard bleef en waar de openbaring van Uw ontdekkende schijnsel, oude beeltenissen wegvaagt en nieuwe te voorschijn tovert. 

De op- en neergang van het dagelijkse leven trekt aan mijn zekerheid, die Gij, Vader-Moeder, in mijn ziel legde, voordat ik mijn eerste schreden op deze wereld zette. 

Van heel ver komen de herinneringen tot mij terug, waarin zich Uw beeltenis verbergt en waaruit ik de hoop put, die mij doet volharden op deze levensweg, die zich voortslingert door de diepste diepten en opklimt naar de hoogste hoogten, waarbij mijn hart stil moet blijven als een afwachtende, omdat zij nòg niet weten kan, hetgeen Gij, Vader-Moeder, in mijn ziel legde. 

De menselijke scheppingen vullen mijn denken en kloppen voortdurend aan de deur van mijn hart, opdat ik hen binnen zou laten en zo geheel gevuld zou worden met hun leringen, hun denkbeelden en hun oordelen. 

Maar, wees stil, mijn hart, wees stil, mijn ziel, laat deze klop voorbijgaan en laat de beelden voorbijtrekken en zo zult gij zien, dat zij uiteen zullen vallen, als tijdelijke vormen, niets achterlatende dan een nevelflard, die optrekt zodra het licht van mijn ziel zich daarop richt.

Als de onrust van mijn gedachten en de beroering van mijn hart weggegleden zijn, komt gij, mijn ziel, vanuit uw verborgen plaats te voorschijn en kunnen wij tezamen spreken over de schatten die gij mij tonen wilt, doch die ik nog niet voldoende herken in hun waarden. 

De schijnbaar vergeten levenservaringen komen bij ons binnen en zitten mede aan en ik onderscheid hun stemmen tijdens onze dialoog.

Als gij, mijn ziel, mij niet voortdurend attent maakte op uw aanwezigheid en mij niet zonder ophouden prikkelde met uw bewogenheden, zouden de levenservaringen mij overmannen en mij gevangen nemen in hun schrikaanjagende heerszucht. 

Door u word ik anders dan mijn naasten, mijn ziel!

Zij leggen zich ter ruste en ontwaken in het besef dat het leven van alledag hen opslokt en uitspuwt wanneer de tijd van het eenmalige afscheid gekomen is. 

Gij doet mij echter zien met andere ogen en schouwen achter de soms aangrijpende gebeurtenissen, die het denken benevelen en het hart pijnlijk treffen. 

Ach, was gij doorlopend als een lichtende dageraad aanwezig, mijn ziel, zodat mijn gedachten zich niet afwenden van uw raadgevingen en mijn hart zich niet vergat in de troostende aanraking van de tijdelijke vreugden. 

Daarom, kom nader, mijn ziel, zodra mijn gedachten en mijn hart zich onbeweeglijk houden en omvang mij met uw licht en de diep doordringende troost van uw warmte. 

Verlicht de diepten aan mijn  voeten en begeleid mij tot aan de eenzame toppen, waar de levensstormen zich aan mij vergrijpen, zodat ik vrees in de afgrond van de onwetendheid gestoten te worden!

Mijn ziel, mijn ziel, gij zijt dichtbij en toch zo veraf. 

Degenen, die u niet kennen, lachen om mijn geloof in u en spotten om mijn vertrouwen op uw geleide, niettemin zijt  gij onomstotelijk aanwezig in de eenzame momenten, waarin de kilte van de eenzaamheid of de verstikkende warmte van de profiteurs mij omringen, omdat zij u, mijn ziel, weg willen lokken uit mijn hart, uit mijn denken. 

Ik stond op de brug tussen hoogte en diepte en keek in de donkere wateren onder mij, die het vuil meesleurden die de arrogante leraren van deze wereld daarin achter gelaten hebben en de stroom dreigde verlegd te worden en de eens zo klare wateren verborgen nu de grond van hun bedding en de zon kon er zijn licht niet meer in weerkaatsen. 

Waarlijk, op de brug tussen hoogte en diepte, op de kruising tussen het zijn en het Niet-Zijn, raakt gij mij aan met uw adem en ik begrijp weer dat hoogte en diepte door mij aaneengevoegd moesten worden, wilde gij, mijn ziel, lichtend worden als duizend zonnen en de lucht doorklieven als een adelaar, en de aarde bevruchten met het zaad van de Allerhoogste. 


De woorden, die de mensen onbewust en gedachteloos de ether inzenden, worden opgenomen door de luchten en de aarde, het vuur en de wateren en het Al zal erdoor veranderd worden en gij,  ziel, zult  verjaagd worden, omdat gij niets te bieden hebt  dan het onsterfelijke en het ongevormde.

Doch reeds stapelen  de menselijke scheppingen zich opeen en dreigen hun scheppers te vernietigen en als het moment gekomen is, waarop zij het 'gebed' van de uiterste nood zullen uitspreken, zult gij, ziel, op hen toesnellen en zeggen: 

Zie, hier ben ik, de ziel van de geest, hier ben ik, het atoom van de Vader-Moeder, de onsterfelijke en altijd aanwezige en ik zal u redden, omdat gij mijn gebed hebt uitgesproken. 

Dan zullen de mensen elkander herkennen, als vonken van één vlam, als zielen uit één Geest en gij, mijn ziel, zult mede onder hen zijn en zij zullen elkander ter zijde staan door licht en warmte, door de hoogte van de oneindige wijdte en de diepte van de onkenbare bronnen, waarin de wijsheid opborrelt als een levende stroom van goddelijke Kennis. 

En het leed zal voorbij gegaan zijn en de bitterheid zal zich oplossen en de onwetendheid zal om zichzelf glimlachen en de wijsheid zal bij hen wonen, als een eerbiedwaardige grijsaard die geen leeftijd kent. 


Zie, ik sta op de brug tussen hoogte en diepte en ik zie door uw ogen, mijn ziel, hoe de wateren aan mijn voeten hun kristallen helderheid terugkrijgen en hoe de zon zijn warmte en zijn licht daarin neerlegt, zodat vuur en water hun onoverwinnelijke beeltenis overdragen aan de lucht en aan de aarde en de ethers zullen het verkondigen aan allen die uit de ether geboren zijn. 

En hetgeen de wijzen zo lang reeds profeteerden, zal bevestigd worden door  de arbeid van u, mijn ziel, die de gemeenschap der onsterfelijken dient en uw licht ontsteekt aan het Licht der Lichten! 

Ja waarlijk, hetgeen zielen schreven aan de banen der luchten, in de grotten der aarde, in de brand van de vuren, en in de diepten der wateren, is de waarheid en deze zal tot aan de laatste dag lichten in de ethers, waar allen die uit Gods Geest en de ether geboren zijn, haar kunnen lezen en verder dragen als de fakkel die nimmer uitdooft! 

Zie, mijn ziel, ik zet mij naast u en luister, luister totdat ik de laatste klank versta, die gij mij overdragen wilt! 


Amen

Epiloog

Gij zijt de Vader-Moeder van mijn ziel, Eeuwige,

en als de tonen van de wereldmuziek wegsterven,

hoor ik hoe Gij mijn ziel onderwijst 

in de School van Uw Albestel.

Hoe Gij de tekenen uit het Boek van Uw Natuur

verkondigt aan Uw schepping,

die zich stortte in het valse licht,

dat kille hoogmoed voegt aan verschroeiende warmte.


Op de scheidingslijn tussen de twee heersers,

demon en God,

bevindt zich mijn hart en roept mijn ziel,

opdat ik mededeelgenoot zal worden 

aan Uw opdracht, Heer!


Wacht, mijn hart, de stormen zullen voorbijtrekken,

Sta stil, mijn gedachten, gij dwaalt af!

Opent u, bronnen, die tezamen mijn wezen vormen

en herstel de eenheid die gij kende 

voordat de chaos u opnam.


Vraag niet langer, mijn ziel,

het antwoord tekent zich reeds af aan mijn hemelboog!

Het verbond tussen U, Vader-Moeder, 

en mijn ziel IS gesloten!


Amen


Heden kunt gij het kleed der goden omslaan, want uw ziel is uit God en gij zult haar dienaar zijn!




1970 - 2018, copyright Henk en Mia Leene