Epiloog

Langs de einder gaat Gij als een herinnering,

en Gij paart de dag aan de nacht, 

opdat uit hun eenheid,

de dageraad van Uw Aurora geboren zal worden.

Gij zijt als het verleden en het heden,

een roep en een groet,

een waarschuwing  en een bemoediging,

en ik beweeg mij tot u en sta toch stil.

Gij zijt de vraag en het antwoord, het brood en het water,

O Gij, die verborgen U houdt 

in de duistere hoeken van mijn wezen

en zich openbaart in de wijdse verten van de kosmos.

Ik behoef slechts mijn ziel te openen en Gij zijt dáár.

Ik behoef slechts mijn hart te sluiten en Gij zijt daar.

Ik behoef slechts mijn gedachten te reinigen en Gij zijt daar!

Wáár zijt Gij, Heer!

Zijt Gij in mij, zijt Gij om mij?

Och, ware ik niets, Gij zoudt mijn volheid zijn!

Och, ware ik volheid, Gij zoudt mijn ledigheid zijn!

Doch het klinkt in mijn bloed, het klinkt in mijn hart,

het klinkt in mijn denken:

Kom weder, kom weder, ziel van mijn geest!

En ik kom weder, want Gij zijt nu daar,

goudglanzende hoogten van mijn Lichtland!


Amen


1970 - 2015, copyright Henk en Mia Leene