Bezinningsmeditatie 64

Gij, die de tijd en de eeuwigheid bestiert,

Gij, grote centrale Vlam,

Gij, die de kosmische in- en uitgang behoedt,

Gij, die de levenden het Leven zendt,

Gij, die de heiligen heiligt,

Ere zij U - Lof zij U - Dank zij U,

Moge Uw Troon in de hoogten van Licht, Kracht en Vuur

de diepten omarmd houden met warmte!


Amen


Gij, kosmische motor die de elementen uitzendt naar alle hoeken van Uw schepping en hen elkander laat groeten met de stem van Uw Alkracht. 

Gij zijt de enige die hoogte en diepte, lengte en breedte verbinden kunt in het middelpunt van het levenselixer.

De scheppingen heffen zich op tot U en zingen hun lied van dank en aanbidding, doch zij vermogen niet de kracht des levens voort te brengen, zolang Gij, verwekker des Levens, niet aanwezig zijt in de ziel van hun bestaan. 

Gij hebt het Al gerangschikt naar de wetten van Uw Wil en hebt hun voorschriften gegrift in de harten van hen, die uit U vielen als onrijpe vruchten, gerukt van de Boom des Levens door een storm van elkaar hatende tegengestelden.

In de uitzichtloze diepten van de chaos aangekomen, streek het valse licht over de toppen van kale gebergten, die het leven afwezen door hun rotsige gesteente en de zuigende luchtstroom van de slaafse emotionaliteit verzamelde zich in de spleten van de afgronden, die wachten op de val van de reeds gevallenen.

Ik houd mij staande aan de rand van de afgronden en zie omhoog naar de glinsterende toppen, die zich edel koesteren in het licht, dat uit onzichtbare verten komt en zich neerlegt om de pieken, waarop slechts de eenzamen zich staande kunnen houden. 

Och, de warmte is zo helend, de tranen van het hart drogen  daarin op en de onvermurwbaarheid en de meedogenloosheid van de kille tegenstanden lijken omkranst te worden door een gloed van belofte. 

Dat verleidt mij, Heer van Hoogten en Diepten, Heer van Tijdeloosheid, waarin de tegenstanden zich nederwerpen en een lied van eenheid zingen met hun vijanden!

Hoewel mijn blik zich vastklemt aan de schoonheid van de bergtoppen, wordt mijn wezen toch getrokken naar de vriendelijke stromen, die, hoewel onzuiver, zich voorthaasten langs de liefde, die zich als een verstikkend dek over al het levende en hunkerende nederlegt.

De toppen zijn voor de moedigen, die weten te strijden, zonder dat de strijd hen verscheurt, die weten niet te strijden, zonder dat zij ondergaan in de gemakzucht.

Het midden is zonder inspanningen niet te verwinnen en de inspanning verleidt niemand. Hij begeleidt slechts degenen, die de roep van de hoogten niet kunnen weerstaan, omdat zij Licht uit Licht zijn en de roep van de hoogten zich herhaalt in hun eigen diepten, waar de warmte hen waarschuwt:

Ga niet! Ga niet!

Op de smalle weg tot de hoogten lost de warmte zich op in de felheid en de koude van de winden, die hun scherpte vertolken door de haat van de tegenstanders en de afgunst van de zwakken, die in de diepten achterbleven. 

Gij zijt degene uit wie mijn ziel neerdaalde en daarom, Heer van mijn Ziel, Heer van mijn Geest, kom in mij, kom in mij, opdat Uw Kracht zich zal concentreren en mij verlichten zal vanuit mijn diepten, zodat de verborgen hoeken van mijn wezen Uw Naam zal uitroepen en mijn krachten daarvan doordrongen zullen worden! 

Kracht van mijn Kracht! 

Leven van mijn Leven!

Licht van mijn Licht! 

Scheur de wolken vaneen, zodat ik nog eenmaal de hoogste top zal aanschouwen, die goudglanzend Uw Aurora verkondigt en dit uitzicht mij de goede moed zal verstrekken, zodat mijn voeten zich uit de modder der dalen zullen kunnen losrukken. 

Ja, ik wacht op Uw Teken en terwijl ik wacht zingt mijn geloof in mij en de hoop danst daarop de dans van de vrijheid, en onder hun samenspel gevoel ik hoe de grond gaat wijken en hoe ik opgeheven wordt tot de violetgouden weidsheid, waarin zich de echo van Uw Roep weerkaatst, die mij bemoedigt.

Hoor, mijn ziel, de roep is alom, de wolken worden ijler, de klaagzangen van beneden lossen zich op in het klank- en kleurenspel, dat zich als een reidans om de toppen van de hoogten schaart. 

Gij wordt opgenomen in hun midden, mijn ziel! 

Nog een wijle en gij zult temidden van de moedigen zijn en hun warmte zal lichtend worden en uw licht zal warmte zijn. 

Het horizontale en het verticale zullen zich verbinden in het hart der schepping en gij zult het meesterwoord wedervinden, waarin de macht tot wedergeboorte zich verbergt! 

Zie, de woorden van de wijzen en de schone sprookjes uit het verre verleden worden werkelijkheid, mijn ziel! 

Ik sta achter U, in de schaduw van het tijdelijke, en ik verheug me met U, want zo wij ééns twee waren, zijn wij nu één, licht en schaduw, tijd en eeuwigheid en ik weet dat ik nu onder zal gaan in de natuur van mijn wezen! 

Maar gij zult opstijgen, mijn ziel, tot aan de hoogste top en beladen met wijsheid en kracht, zult gij wederkomen in de diepten, waar ik op U zal wachten in de warmte van de deemoedige onwetendheid. 

Kom weder, kom weder, mijn ziel, neem de Zonnewagen en snel langs de door licht ontstoken hemelen en verlicht de diepten met uw vuur, zodat de Kennis wonen zal onder hen, die zich in de onwijsheid verloren dachten.

Kom weder, kom weder, mijn ziel, ik zal u omarmen als een herborene, die de natuur haar Schepper zal tonen, zodat het Al zijn lof kan zingen in het Lied dat nimmer zal vergaan. 

En zie, de wolken wijken en ik herken mijn ziel op de Zonnewagen, getrokken door de gevleugelde rossen van hoogte en diepte, van geloof en hoop.  En hetgeen in ongeloof en wanhoop dreigde te verstikken, zal zich oprichten en het Aurora begroeten, dat hun dag van inzicht aankondigt! 

O Aurora, Licht van mijn ziel, Licht van de goddelijke Dageraad, ik laat mij neerzinken in uw lichtende warmte, opdat Uw eenheid mij zal omzetten in de Zoon des Lichts die warmte schenkt!


Mijn ziel, mijn ziel, gezegend zijt gij!


Amen

Epiloog

Langs de einder gaat Gij als een herinnering,

en Gij paart de dag aan de nacht, 

opdat uit hun eenheid,

de dageraad van Uw Aurora geboren zal worden.

Gij zijt als het verleden en het heden,

een roep en een groet,

een waarschuwing  en een bemoediging,

en ik beweeg mij tot u en sta toch stil.

Gij zijt de vraag en het antwoord, het brood en het water,

O Gij, die verborgen U houdt 

in de duistere hoeken van mijn wezen

en zich openbaart in de wijdse verten van de kosmos.

Ik behoef slechts mijn ziel te openen en Gij zijt dáár.

Ik behoef slechts mijn hart te sluiten en Gij zijt daar.

Ik behoef slechts mijn gedachten te reinigen en Gij zijt daar!

Wáár zijt Gij, Heer!

Zijt Gij in mij, zijt Gij om mij?

Och, ware ik niets, Gij zoudt mijn volheid zijn!

Och, ware ik volheid, Gij zoudt mijn ledigheid zijn!

Doch het klinkt in mijn bloed, het klinkt in mijn hart,

het klinkt in mijn denken:

Kom weder, kom weder, ziel van mijn geest!

En ik kom weder, want Gij zijt nu daar,

goudglanzende hoogten van mijn Lichtland!


Amen


Ga de weg terug, die gij gekomen zijt,

en zoek de lichtstraal die achterbleef op het kruispunt 

tussen hoogte en diepte, en wordt wijs, gij ziel!




1970 - 2015, copyright Henk en Mia Leene