Bezinningsmeditatie 63

Gij zijt lichtender dan duizend zonnen!

Gij zijt levender dan al het levende!

Gij zijt machtiger dan alle machten!


O Gij, die slechts Uw vinger behoeft te bewegen

opdat het Al veranderen zal,

houdt Uw schepping omvat in Uw bescherming!


Amen


Donkere wolken pakken zich samen aan de hemelen en de mensheid heft haar blik op in vrezen, want hetgeen zolang werd vóórzien, gaat zich voltrekken en niemand weet de uitkomst, noch kent iemand de verschrikkingen, waarin droog geweende ogen zoeken naar voedsel op de bodem van diepe afgronden.

Bevende harten willen niet geloven aan de woorden van de profeten, noch slaan zij acht op de raadgevingen der wijzen of op de waarschuwingen van de sterken, want de overvloed van het onnutte, het voorbijgaande, verstikt hen, terwijl zij gulzig hun buiken voeden met giftige waarden en hunkerende hun gehoor verdoven met schrille klanken en hun blik zich verzadigt aan pijnigende kleuren, zodat oog en oor, gevoel en smaak dood, geworden zullen zijn, als de verschrikkingen komen zullen.

De predikers snellen heen en weer met vermanend geheven vinger en achter hun brandende ogen worden hun hersens aangevreten door de ijver voor hun wrakende god: 

Bekeer u, bekeer u, want de tijden van de vergelding zijn gekomen! 

En de angst jaagt de zwakke schapen bijeen in de stal met afgesloten deuren en rukt hen los uit de jacht der vergetelheid en werpt hen neer onder het juk van de straffende zweep. 

De vreugde sterft in de zwartgalligheid en het geluk baadt zich in de bittere wateren van de grote vrees, die zijn heerschappij sticht op de onwetendheid van zijn slaven. 

Waarlijk, de tijden worden vol! 

Waarom richt gij u niet op, op de ruïnen van de harde ervaringen, gij zoekende mens? 

Waarom zoekt gij in de spelonk van uw hart niet de lang vergeten glimlach van de wijsheid, die niet weggevaagd kan worden door de zweep van de grote vrees en de hartstocht van het fanatisme?

Rotsen en rivieren, wouden en woestijnen zullen hun gezicht veranderen, omdat de kosmos de afrekening opschrijft aan het firmament van het tijdelijke zijn, maar de eeuwigheid zal daardoor niet verontrust worden, mijn vriend, noch zal aan de ethers het eeuwige leven ontvallen, want hetgeen eeuwig is, vreest niet, noch bukt het voor de dreigementen van de nietige tijdelijkheid, hetzij mens, hetzij afgod!

De bomen zullen hun kruinen tot elkander overbuigen en de oceanen zullen hun bodem opheffen en de woningen der mensen zullen ineenvallen, maar daardoor zal er niets veranderen in de schoot van de Eeuwige.  Treurt niet, gij Zoon der Goden! 

Verlies u niet in het waarom van de dingen die geschieden moeten, omdat zij gehoor geven aan de wet die in de schepping werd ingeschapen, maar maak u los uit de vaststaande bewegingen, die elkander bevechten of elkander omarmen, geheel en al volgens de wetten waaraan zij onderworpen zijn. 

Beweegt deze wet zich ook niet in u, mensenkind? 

Zolang gij de karakteristieken van deze wet volgt, zullen de grote bewegingen u vermorzelen of u omhoogwerpen, dan wel omlaagsleuren in hun beroeringen en gij zult uw ogen leeg wenen en uw hart uiteenrijten en uw eigen bitterheid trachten te verteren. 

Niemand zal u kunnen helpen, zo gij niet doordrongen wordt van de Eeuwige, die in u is, mijn vriend! 

Verberg u niet achter de heuvels van het verdwijnende land, noch verberg u in de luwten van hen, die roepen dat zij u beschermen, maar zie de werkelijkheid. 

Wat kan u deren? 

Het tijdelijke zal mogelijk het tijdelijke verslinden, de twee machten zullen tegen elkander opstaan en elkander hun prooi bevechten, maar wat hebt gij, Zoon der Goden, in werkelijkheid daarmede te doen? 

Gij zijt immers niet uit dit land van tegengestelden, gij komt in werkelijkheid immers niet uit de dreven van deze ongerechtigheid en onwaarheid?

Gedenk het Land, waaruit gij gekomen zijt?

Gedenk de opdracht, die gij ontvangen hebt, toen gij neerdaalde op de vleugels van uw kennis en uw eigen wijsheid en herinner u de woorden van de Vader-Moeder, die gegrift werden in het atoom der eeuwigheid, dat als een edelsteen begraven werd in de schelp van uw stoffelijke lichaam.

Noch de geweldenaars, noch de predikers, noch de beangstigen zullen u kunnen misleiden met hun emotionele gewelddadigheid, omdat de beeltenis van uw geboorte op zal lichten vanuit uw centrum en daarom zult gij u verbergen. 

Sla uw mantel van het Eerste Geheimenis dicht om uw schouders, Zoon der Goden, en bemerk dat gij zo uw vleugels zult kunnen uitslaan en hun kracht zult hervinden. 

Stijg op, stijg op, adelaar van de wijdse hemelen en verlaat de verschrikkingen, want hetgeen komen moet, zal komen en hetgeen reeds zolang met bloedrode letters geschreven staat in het ondoordringbare zwart der luchten, zal komen.

Het is de hoogste tijd dat gij uw Eerste Kennis verzamelt, en de edelstenen van uw inzicht aaneenrijgt, zodat het snoer van herkenning zich om uw hals kan neervlijen als een magisch teken, opdat zich daarop de hemelen openen, en het wachtwoord voor de goden zal oplichten en gij langs de straal van uw eigen Licht zult kunnen opklimmen tot de Zon der Zonnen. 

Weest wakende, weest wakende, Zoon der Goden!

Beluister de roep, die achter de donderslagen opklinkt en herken de stem van de Vader-Moeder die spreekt:

Ziet, Zoon der Goden, de tijden zijn vol geworden, de terugweg tekent zich af tegen de hoogten, beklim hem en kom thuis in het Huis waarin gij woonde, voordat uw eigen wijsheid opstond tegen de Mijne.

En zij, die de wijsheid van de Vader-Moeder weder gevonden hebben en hun eigen wijsheid begroeven onder de hemelsteen, zij zullen opklimmen en zij zullen met hun blik de verten doorzoeken en, geen vrede vindende, zullen zij zich afkeren en hun ogen richten op de Poort in de Hemelen, waardoor de eerste stralen van het Aurora reeds gloren. 


Aurora! De Zonen der Goden begroeten u!

Aurora! Gij straalt door alle verschrikkingen heen!

Aurora! Gij zijt het Begin en het Einde!

Zij, die U waarnemen in hun harten. volgen U!


Amen

Epiloog

Aurora! Gij morgenrood van de nieuwe dag,

mijn ziel drinkt uw rijkdom in

en laaft zich aan de bron van uw heerlijkheid!


Aurora! Mijn blik hecht zich aan de voorboden 

van uw gloed,

mijn hart beroerende, door het aloude weten van weleer.


Aurora! Gij zijt dáár! Onuitwisbaar! Eeuwig lichtend!

Gouden koorden trekken mij tot u

en nemen mij op in de zonnewagen,

die zich langs de hemelen van waarheid en wijsheid 

voortspoed, tot hij oplost in het Vuur van de ontmoeting.


Aurora! O gij Hoop van mijn ziel! Warmte van mijn hart!

Ik buig mij neder voor de majesteit van uw openbaring

en het lied van mijn godenras welt op in mij:

Kom weder, kom weder, Zoon der Goden!


O Aurora! U steeds te hervinden, 

in de poelen op mijn levensweg, 

is de sterkte, die mijn krachten voedt!


Aurora! Aurora! Aurora! Hemel-aarde der Goden!

Wij begroeten U!


Amen


Het Goede Einde zij met alle Zonen die de Geest zien!




1970 - 2015, copyright Henk en Mia Leene