Epiloog

Als de nacht zich nederlegt om het wezen der natuur, 

komt gij, o  ziel, naderbij en fluistert het oudste geheimenis 

in het innerlijke oor van uw schepsel.


Verwondert beluistert mijn hart de klanken, 

die vreemd zijn en toch bekend, 

die ontroeren, doch stil weer wegglijden 

in de chaos van bekende geluiden, 

die als een maalstroom zijn, waarin ik onderga.

Laat, o ziel, uw wonderbare overdracht 

bestendig worden in mij, 

zodat ik onophoudelijk lezen kan 

uw lichtende karakters, 

die mij vertellen over een ander bestaan, 

ver weg en toch nabij.


Spreek mij over de vrijheid die ik had 

vóórdat licht en duister hun spel in mij bedreven, 

zodat ik weten zal, mijn ziel, 

welke wetten ik volgen moet, 

om de baan der heerlijkheid te trekken 

langs de hemelen van mijn uitspansel.

Want gij zijt geest uit geest, mijn ziel, 

en uw herinnering is 't enige dat mij rest 

in de verwarring van de schijn!

Wek mij op uit  de vergetelheid, o ziel, 

opdat ik met u ga tot aan het Goede Einde.

Amen


1970 - 2015, copyright Henk en Mia Leene