Bezinningsmeditatie 61

O Vlam des Geestes,

O wonderbare energie des Universums,

O Geest uit Geest, 

houdt levend degenen die U toebehoren !

Amen


Zie mens, het leven snelt heen zonder dat gij uit zijn leerschool vernomen hebt de naam die u toekomt vanaf den beginne.

Waar was uw gehoor dat gij zo doof geworden zijt?

Waar was uw blik dat gij de tijd niet zag heensnellen, zonder dat gij gebruik maakte van zijn mogelijkheden?

In de cacafonie van de kreten der onwetenden gaat gij onder als een hulpeloze, terwijl gij het ingeschapen weten laat wegvlieden en gij u laaft aan de kennis der gewetenlozen.

Hoort! Gij mensenkind, de natuur is het boek waaruit gij opnieuw moet leren lezen, uw ziel is de leraar, de Geest is uw beschermer. 

Meent niet dat gij zonder nadelen uw hart kunt weerstaan,  meent niet dat gij zonder gevolgen uw ziel kunt negeren, alsof gij nimmer een Zoon des Lichts geweest was, waarin het atoom van de universele Geest zijn trillingen uitzendt! 

Van alle zijden klinken de stemmen die u hun weg aanbevelen en gij houdt niet op naar hen te luisteren! 

Mensenkind! 

Het ware geluk bevindt zich niet in de veelheid, in de verscheidenheid of in de geborgenheid. Het geluk is dáár waar hart en ziel elkander herkennen en hun harmonie uitzenden in uw bloed, in uw organisme, in uw denken. 

Wat heeft het voor nut gebeden te prevelen, Gods lof te zingen in schonebewoordingen als daar, in uw hart, het goddelijke geluk niet woont? 

Weet gij niet, mensenkind, dat gij harmonie en geluk om u heen schept, zodra deze in uzelf aanwezig zijn? 

De wijzen spraken ware woorden.

Indien echter hun waarachtigheid niet door uzelf met hartebloed onderschreven kan worden, zullen hun diepten toegesloten blijven, mijn vriend. 


De eeuwen zagen reeds ontelbare klanken aan zich voorbijtrekken en in naam van geloof en overtuiging werden offers gevraagd en gebracht, doch helaas bleef de diepte van de wijsheid slechts de enkeling beschoren.

Tooi u niet met de wijsheid van anderen, noch sier huis en hof met schone beelden, omdat gij hoopt dat deze u zouden verheffen tot de toppen van de geest, maar zie allereerst in u, mensenkind.

Hebt gij reeds ernstig gezocht of de sleutel tot wijsheid niet in uzelf besloten ligt? 

Hebt gij  reeds tot aan de uiterste grens weerstand geboden aan de slaap van de onwetendheid? 

En hebt gij reeds getracht het ijs van de bevroren godsrivier radikaal open te breken? 

Zo gij rust en vrede wilt, mensenkind, hebt gij u een voorstelling daarvan gemaakt? 

De diepe Vrede, die alle verstand te boven gaat. bestaat uit beweging en stilte, uit volheid en ledigheid, uit diepten en hoogten; ja, een volledig landschap, waarin alle facetten van het intense leven zich bevinden, kenmerkt de diepe Vrede, die het hart vult met wijsheid en het de diepten van de droefenis en de hoogten van de vreugde doet ervaren, zonder dat het daaraan te gronde gaat. 

Proef de tranen van uw hart, mensenkind, zo zij zoet smaken en de bitterheid daaruit gevloden is, kunt gij daarmede uw leven sieren, want elke traan zal stollen tot een parel, waarin het kleurenspectrum zich weerspiegelt, zo het Al aan u overdragende. 

Gij zijt het Al en het Niets, mensenkind. In u is de grootse wijdte van de eeuwigheid en de veranderlijkheid van de tijdelijkheid.

Sta stil in de kern van uw wezen, zodat daar de eeuwigheid de tijd dragen kan, opdat deze zich rustig voortspoede langs het ritme dat de kosmische wet haar voorschrijft.

Niemand is rustiger, gelukkiger en vreeslozer dan hij die de eeuwigheid aan zichzelf bewezen weet en dus dood noch leven, haat noch afgunst, eer noch verguizing, vrezen moet. 

In de eeuwigheid, dus ook in u, mensenkind, klopt het hart van de Eeuwige en telt de uren noch de dagen dat het zijn leven wegschenkt aan degenen die uit de eeuwigheid geboren zijn. Ontdek deze eeuwige harteklop en beluister het geheimenis dat vanaf de jongste tijden aan de Zoon des Mensen, die het Licht draagt, overgedragen werd en gij zult bemerken dat de Eeuwige u in zijn Huis des Broods opneemt, waar het levensbrood verdeeld wordt onder hen die het  Lied der goddelijke geboorte zingen. 

Zoek de woorden van dat Lied in uw hart, in uw ziel en in de levende stilte van uw innerlijke Tempel, mensenkind, want gij zijt op aarde om u uw afkomst te herinneren en gehoor te geven aan de Roep der eeuwigheid, die niet aflaat te weerklinken in de sferen. 

Keer weder, keer weder, Zoon des Lichts! 

En de Zoon zal wederkeren, omdat hij zich herinnert geest uit geest te zijn!


Amen

Epiloog

Als de nacht zich nederlegt om het wezen der natuur, 

komt gij, o  ziel, naderbij en fluistert het oudste geheimenis 

in het innerlijke oor van uw schepsel.


Verwondert beluistert mijn hart de klanken, 

die vreemd zijn en toch bekend, 

die ontroeren, doch stil weer wegglijden 

in de chaos van bekende geluiden, 

die als een maalstroom zijn, waarin ik onderga.

Laat, o ziel, uw wonderbare overdracht 

bestendig worden in mij, 

zodat ik onophoudelijk lezen kan 

uw lichtende karakters, 

die mij vertellen over een ander bestaan, 

ver weg en toch nabij.


Spreek mij over de vrijheid die ik had 

vóórdat licht en duister hun spel in mij bedreven, 

zodat ik weten zal, mijn ziel, 

welke wetten ik volgen moet, 

om de baan der heerlijkheid te trekken 

langs de hemelen van mijn uitspansel.

Want gij zijt geest uit geest, mijn ziel, 

en uw herinnering is 't enige dat mij rest 

in de verwarring van de schijn!

Wek mij op uit  de vergetelheid, o ziel, 

opdat ik met u ga tot aan het Goede Einde.

Amen


Moge de oermelodie uw ziel vinden, opdat zij herleven zal!




1970 - 2018, copyright Henk en Mia Leene