Hart der Kosmos!

Hart van het Universum!

Hart  van Hemel en Aarde!

Hart van mijn individuele kleine wereld!

Hart des Harten, Oerbron, Schepper!


U zijn mijne werken gewijd,

mijne daden en mijne dagen!


Ere zij U!


Gij alchemisten - broeders van de Gouden Roos,

aarzelt niet uw hoogmoed neer te leggen 

in het oratorium van uw hart.


Waakt voor de eer en de macht, 

die mensen u gaan schenken, 

maar blijf in deemoed en in trouw uw eerste God herdenken; 

dat Hij u niet ontmoete - 

al doende in de waan van ijdele arbeid - 

uw laboratorium vol materiaal 

dat slechts de Hyle kan ontmoeten.


Wee, wee, hij die zijn proeven doet 

zonder daarbij te denken vanwaar hij stamt, 

waarheen hij gaat, 

hij zal weldra bemerken dat heel zijn noeste vlijt, 

die weg zo zwaar te gaan, 

naar d'afgrond van Nemesis leidt.

Er komt een dag, gij eed'le alchemist, 

dat gij ter neder legt in zweet en bange pijnen,

daar gij nog nimmer vond de Steen die gij te zoeken zocht, 

en die u schijnt te wenken met glans en schone pracht.


Welaan dan, arbeider, in 't labor van den Heer,

tracht weder te vinden de bronnen van weleer,

waaruit de levensstromen, zo zout en toch zo zoet,

de aarde konde deden van 't Hemelse,

zo ver en zo nabij,

een mysterie voor de velen die zich zonder kennis

vermeien wilden in 't aardse groen 

gedenkend niet de oorsprong,

slechts schouwend vorm en kleur,

vertellend van de dingen die 't oog konden beroeren

maar die niet spraken tot de ziel,

waarin toch ligt verborgen

de Steen die gij zo naarstig zoekt, mijn vriend!


Luister dan naar raad - verlies uw krachten niet

alvorens gij zult sterven door wanhoop, bitt're klacht,

leg u terneder - het oor gericht naar Boven, 

het hart in stille weemoed zwak, 

uw wil gedragen door de goden, 

uw hoofd, tot berstens toe gevuld, 

ontledigd door de liefde voor dat wat noemen 'k wil:

Hermes' gewijde daad.


Zo zult gij eerst vernemen dat 't oratorium,

waarin de stijve knie zich buigt,

de lippen prevelen gebeden, 

het hart zich zonder protesten sluit,

zich niet bevinden kan in stenen, koude plaatsen,

noch rond het schijngeflonker van altaren,

waarop een bescheiden kaars de liefde van zijn gever verbrandt,

het antwoord bleef verborgen in stilte

die niet mocht baten te helen 't hunk'rend hart,

noch strelen de vermoeide zinnen,

die als vogels her- en derwaarts vlogen

op zoek naar wat de ouden verzamelden in letters,

dicht en proeve neergelegd.

Het zal u niet berouwen, gij Hermes' volgeling,

wanneer gij staakt uw proeven,

en nederlegt de kolf, de zwavel en het zout.

Want niets is er te vinden in ijd'le stoffen,

die slechts de vorm uitdrukken van verre herinneringen.


Mercurius is degene die u de mare brengt van godendienst,

de dauw streelt ied're morgen de aarde,

bezielt de stengel van de roos te heffen zich

naar boven - daar 't Leven hier niet is.


Zoudt gij dan, eed'le vriend, de tekenen negeren

die rondom geweven zijn in 't gewaad der pure Moeder,

en schitteren als edelstenen voor hem die 't oog niet sluit,

maar opent zijn vergeten zinnen

en uittreedt uit zijn vergaan gewaad, door vermoeidheid aangevreten.


Laat u niet weerhouden, vriend,

niet door de ijd'le kreten die opklimmen naar 't azuur,

waar zij als felle vaandels de ere van 't ijdel ambacht

het land van Maya sieren,

noch door de jammerklacht die van de lippen komt

van hen die met stramme knieën de hoogmoed dragen fier!


Gij zijt een Hermes' dienaar,

en daarom zijt Gij van koninklijken bloed',

het is aldan 't verraad der blinden,

wanneer gij medeloopt in d'optocht dezer vrinden,

die lachen om de wijsheid die koningskind'ren

in 't hart werd neergelegd.


Ga dus het oratorium des harten binnen,

kniel neder voor het altaar

waarop de kaars der ziele brandt;

de vlam spreekt van uw Liefde

voor Hem die eeuwig is,

niet vallen laat zijn schepsel waarin Hij Gode is.


Zo gij alchemisch werk wilt doen

bedenk dan eer - voordat gij hier begint - 

want zonder kennis, zonder ziel en zeven zinnen,

die Gode in u bracht,

zult gij niet volbrengen kunnen 't alchemische proces, 

daar 't Zout  het Vuur des geestes

en 't Water van de ziel erlangt.


En geest en ziel - gij weet dat, eed'le vriend,

komen uit God die 't Al heeft voortgebracht.

Amen


1970 - 2015, copyright Henk en Mia Leene