Epiloog

In het Tao, waarin de eeuwigheid zich ontfermd

over de stervenslichten van de tijd

en vormen uiteenvallen in het ongevormde,

waarin de concentratie zich overgeeft aan de abstractie,

wordt mijn wezen tot een niets, O Licht,

waarin de gaven van Uw Waarheid opstaan 

in het Weten van weleer.

Het is de zweep van de dorst naar kennis,

die mij voortjaagt door de landen der schijnwaarheid, God,

totdat vermoeidheid mij nederwerpt

aan de voeten van Geweten en Intuïtie,

die de stilte hunner vergetelheid

mij als een offerande aanbieden.

Eenzaamheid omvat mij binnen de hand van het kille streven

dat geen vruchten afwierp;

eenzaamheid wordt als een bitterheid,

zo Geweten en Intuïtie er niet in slagen

hun zwijgen te verbreken.

Hul mij daarom in het machtige Tao 

van Uw Aanwezigheid, Heer! 

waarbinnen Intuïtie en Geweten

hun verloren zang hervinden

en de eenheid der goddelijke Schepping

aan mij geopenbaard wordt!

Want Tao is ver, Heer - en toch nabij!

Tao zijt Gij, Heer - en Gij zijt in mij!

Tao is het gebed mijner ziel, Heer,

waarvan de woorden geschreven worden 

door de bloeddroppels van mijn hart

terwille van Uw Waarheid, Heer!

Schenk mij Uw Tao - Licht, Waarheid!

opdat ik wete dat wij een zijn, Heer!

Amen


1970 - 2015, copyright Henk en Mia Leene