God verhoudt zich tot de mens zoals de magneet zich verhoudt tot het ijzer. 

Waarom trekt God de mens dan niet aan?

Zoals ijzer, dat dik in de modder gehuld is niet wordt bewogen door de aantrekkingskracht van de magneet, zo gevoelt de ziel die dik in Maya is gehuld, ook niet de aantrekkingskracht des Heren. 

Doch evenals het ijzer vrij is om zich te bewegen wanneer de modder is weggewassen met water, zo wordt door aanhoudende tranen van gebed en berouw de modder van Maya wegwast die haar doet kleven aan de aarde. 

Voorwaar, voorwaar, ik zeg u, hij die hem verlangt, vindt hem. 

Ga heen en maak dat tot waarheid in uw eigen leven; streef er drie opeenvolgende dagen met echte ernst naar en gij zult slagen! 

Wend middelen aan die passen bij het doel dat gij zoekt te bereiken. 

Gij kunt geen boter verkrijgen door u hees te schreeuwen met "Daar is boter in de melk!" Wenst gij boter te maken, draai de melk tot zij stremt en karn terdege, dan zult gij boter verkrijgen.

Zo ook indien gij God zoekt te zien - de praktijk der waarachtige vroomheid doet u god zien! 

Wat zou het baten enkel te schreeuwen: O God! O God!

Een natte lucifer brandt niet; hoe hard ge ook strijkt, hij zal slechts rook geven. Een droge lucifer echter vat ogenblikkelijk vlam, zelfs bij de lichtste wrijving. 

Het hart van de vrome pelgrim is als de droge lucifer: de geringste vermelding van de naam des Heren doet het vuur van de liefde in zijn hart ontvlammen. 

Doch de geest van de wereldse mens, gedompeld in wellust en rijkdom, is als een vochtige lucifer. 

Al wordt God hem telkens en telkens weer gepredikt, het vuur van de liefde kan nimmer in hem ontstoken worden. 

Een wereldsgezind mens moge begiftigd worden met een machtig 

verstand, hij moge zich als een volhardende Yogi vele moeiten getroosten, hij moge als een asceet zich vele opofferingen getroosten, toch doet hij dat alles niet voor God, maar slechts om de wereld, om eer en voordeel. 

De gier verheft zich hoog in de lucht, doch gedurende al die tijd tuurt hij naar beneden in de groeven voor krengen of hij daar ook een rottend karkas ontdekt. 

Zo spreken de belezen geleerden vlot en vloeiend over theologie doch het is slechts woordenkramerij; want intussen zint hun geest naar middelen om geld, aanzien en macht te verkrijgen, want dit is de ijdele beloning van hun onderwijs.

De geest van de wereldse mens is als die vlieg, her- en derwaarts vliegende tussen afval en uitgelezen spijzen; het ene ogenblik gaat deze mens op in godsdienstige onderwerpen en het volgende ogenblik in genoegens, rijkdom en wellust. 

Een heilbegerige mag in de wereld wonen, maar de wereld wone niet in hem, gelijk een boot in het water mag liggen maar er geen water in hem mag zijn. 

Zoals uit een klein gaatje in een waterkruik al het water wegloopt, zo vloeien alle resultaten van zijn goede pogingen uit de mens, indien er nog maar een zweempje wereldsheid in hem is. 

Begeer ook geen psychische wonderdoenerij. Deze wijkt af van het Pad, wacht u voor deze vermogens en begeer ze niet!

God is uw alles-in alles! 

Hoe gij Hem kunt verwerven moet uw enige bemoeienis zijn; de onreinen van hart zijn als een bezoedelde spiegel, zij kunnen de Zon der goden niet weerspiegelen. Weest daarom rein van hart.

Indien een wit kleedje met een klein vlekje wordt besmeurd komt de zwartheid zeer lelijk uit door de tegenstelling. 

Zo ook treedt de kleinste fout van een heilig man smartelijk naar voren, door de haar omringende zuiverheid.

Daarom moet de pelgrim erop achten geen fouten te begaan, zijn weg is zwaarder dan die van de wereldse mens, want zijn fouten komen sterker naar voren door de ernst waarmede hij naar volmaaktheid streeft.

Menigeen zegt met een vertoon van nederigheid: "Ik ben als een worm die in het stof kruipt!

Door zich aldus in gedachten tot een worm te maken wordt hij mettertijd zo zwak als een worm. Zoals iemand denkt zo wordt hij.

Er is geen reden om trots te zijn op het bezit van geld. Indien gij beweert rijk te zijn, er zijn lieden die rijker en veel rijker zijn, dan gij, bij wie vergeleken gij niets meer dan een bedelaar zijt. 

Wanneer na de schemering de glimwormen zich vertonen denken deze:  "Wij geven licht aan de wereld.

Doch wanneer de sterren verschijnen is hun trots gevlogen. 

Dan beginnen de sterren te denken: "Wij storten licht uit over de aarde!"

Na verloop van tijd komt de maan aan de hemel, de sterren worden vernederd en kijken droefgeestig.

Dan gaat de maan op haar beurt trots worden en denken, dat door haar licht de wereld verlicht wordt.

Zij glimlacht en baadt zich in schoonheid en vrolijkheid. 

Doch zie! De dageraad kondigt de naderende opgang der zon in het Oosten aan!   Waar is nu de maan?! 

Indien zij die zichzelve rijk vinden deze natuurlijke feiten overwegen, zullen zij nimmer, nimmer meer roemen op hun schatten.

De onwetende en de begoochelde zegt: "Dat ben ik! Dat ben ik!

Doch de wijze zegt: "Gij zijt het, Gij zijt het, O God!"

Leer dan uzelve kennen en kom zo tot die ene onloochenbare waarheid dat de God des Universums altijd IS en de mens zijn nederige dienaar kan worden, zo hij WIJS wil zijn! 


Amen


(Gadadhara)

1970 - 2015, copyright Henk en Mia Leene