Epiloog

In het Tao, waarin de eeuwigheid zich ontfermd over de stervenslichten van de tijd en vormen uiteenvallen in het ongevormde, waarin de concretie zich overgeeft aan de abstractie, wordt mijn wezen tot een niets, o Licht, waarin de gaven van Uw Waarheid opstaan in het Weten van weleer.

Het is de zweep van de dorst naar Kennis, die mij voortjaagt door de landen der schijn-waarheid, God, totdat vermoeidheid mij nederwerpt aan de voeten van Geweten en 

Intuïtie, die de stilte hunner vergetelheid mij als een offerande aanbieden.

Eenzaamheid omvat mij binnen de hand van het kille streven, dat geen vruchten afwierp.

Eenzaamheid wordt als een bitterheid, zo Geweten en Intuïtie er niet in slagen hun zwijgen te verbreken.

Hul mij daarom in het machtige Tao van Uw Aanwezigheid, Heer, waarbinnen Intuïtie en Geweten hun verloren zang hervinden en de eenheid der goddelijke Schepping aan mij geopenbaard wordt. 

Want Tao is ver, Heer, en toch nabij,

Tao zijt Gij, Heer, en Gij zijt in mij,Tao is het gebed mijner ziel, Heer,waarvan de woorden geschreven worden door de bloeddroppels van mijn hart, terwille van Uw Waarheid, Heer!

Schenk mij Uw Tao, Licht, Eenheid,opdat ik wete dat wij één zijn, Heer.

Amen

1970 - 2015, copyright Henk en Mia Leene