Bezinningsmeditatie 47

In het Licht van Uw Aanwezigheid

zien wij het Aurora blinken

achter de bergen van het land onzer beperking.


Mogen wij in staat zijn,

O ondoordringbare Kracht des Als,

de realiteit van Uw tegenwoordigheid blijvend te aanvaarden,

opdat wij de binding tussen u en dit aardse-zijn

nimmer meer verliezen.


Want zonder U, O Begin van alle Leven,

beroert ons de dood-der-verstening

en het Leven trekt aan ons voorbij als een ademtocht.


Verbreek onze ommuring, in denken, in gevoelen, in beleven,

en voer Uw Leven tot ons

als een Waarheid, die nimmer vergaat!

Amen


Vrienden, wij lezen u nu enkele gedeelten voor uit Kabir:


De maan schijnt in mijn lichaam, maar mijn blinde ogen kunnen haar niet zien, de maan is in mij en ook de zon is in mij. 

De nooit geslagen trom der eeuwigheid wordt in mij geroerd, maar mijn oren kunnen het niet horen. 

Zolang de mens schreeuwt om het ik en het mijn, zolang zijn zijn daden niets. 

Als alle liefde voor het ik en het mijn dood is, dan wordt het werk des Heren gedaan. 

Want werk heeft geen ander doel dan het winnen van de goede kennis.

Als die er is, dan wordt het werk gedaan.

De bloem bloeit voor de vrucht; als die er is verwelkt de bloem.

O vriend, hoop op Hem, terwijl gij leeft; versta, terwijl gij leeft; want in het leven schuilt de verlossing.

Als uw kluisters niet verbroken worden tijdens uw leven, welke hoop blijft er over op bevrijding in de Dood?

Het is maar een ijdele droom, dat de ziel met God verenigd zal worden, alleen omdat zij het lichaam verlaten heeft. 

Als Hij nu gevonden wordt, zal Hij ook dan gevonden worden. 

Zo niet, dan gaan wij slechts wonen in de stad des doods.

Als gij nu de vereniging hebt, dan zult gij hem in het hiernamaals hebben.

Baad u in de waarheid, ken de ware leermeester, geloof in de ware naam.

Kabir zegt: 

Het is de zoekende geest die helpt. Ik ben de slaaf van deze zoekende geest.


Ik heb mijn zetel gehad op Hem, die op zichzelve rust.

Ik heb gedronken uit de beker van de Onuitsprekelijke.

Ik heb de sleutel gevonden van het mysterie.

Ik heb de wortel van de Al-Eenheid bereikt.

Reizende zonder weg ben ik gekomen in het land zonder smart. 

Zeer gemakkelijk is de genade van den groten Heer op mij gekomen. 

Men heeft van Hem gezongen als van den Oneindige, den Onbereikbare; maar in mijn gebed heb ik Hem aanschouwd zonder te zien. 

Dat is waarlijk het smarteloze land, en niemand kent het pad dat er heen voert. 

Hij alleen, die gaat op dat pad, is zeker boven alle smarten uitgestegen.

Wonderbaar is dat Land der Rust waartoe geen verdienste ons brengt.

De wijze alleen heeft het gezien, de wijze heeft ervan gezongen.

Dit is het uiterste Woord; maar kan iemand de wonderbaarlijke smaak ervan uitdrukken?

Hij, die het eenmaal proefde weet welke vreugde het kan geven.

Door het te kennen wordt de onwetende wijs en de wijze wordt sprakeloos en stil.

De aanbidder is geheel en al bedwelmd.

Zijn wijsheid en zijn zielsvrijheid worden volkomen.

Hij drinkt uit de beker der in- en uitademing der Liefde.

Amen

Wij lezen u nu nog een fragment uit het boekje: "De Hemelse en Hermetische Parel". 

Herinnert u zich hoe de hemelse wijze Christus de gelijkenis vertelde van de koopman, die naar goede paarlen zocht, en toen hij een kostbare vond, al het aardse daarvoor weggaf en deze kostbaarheid daardoor tot zijn bezit maakte?

Naar deze, in onze ziel verborgen kostbare parel, naar deze lelie in het dal moeten alle mensen zoeken; want haar bezit brengt wijsheid en eeuwig leven, en de onsterfelijkheid zal ons deel worden. In haar ligt de schat der schatten, de gezegende Steen der Wijzen en alle heerlijkheid. 

In ons zelf bevindt zich de beste schatkamer der natuur; het allergrootste geheimenis der natuur, de hoogste tinctuur is zelf in de mens, en de magneet om deze schat te zoeken vindt men eveneens in de mens zelf. 

Hij is het centrum of het middelpunt aller dingen; alles wat in de grote wereld is, is ook in de kleine wereld, in de mens. Want in ons treft men hemel en hel aan, licht en duisternis, leven en dood, vuur en lucht, en zo vindt men ook in hem het universele zaad voor al de drie rijken.

Alles wat wij wensen en verlangen ligt in ons: wij behoeven het slechts naderbij te wenken om het tot ons eigendom te maken. 

Geen menselijk verstand kan uitzoeken, begrijpen en doorvorsen, welk medicijn uit microcosmoi te bereiken is, want in die microcosmoi ligt de genezing van alle gebreken verborgen. 

De priester der goddelijke Natuur en de leerlingen der Wijsheid worden dikwijls door de dwazen dezer wereld mishandeld, doch de priesters en de wijzen slaan in het geheel geen acht op woord en geschrift van deze door eigenliefde gedrevenen. 

Alleen de natuurlijke en nog niet wedergeboren mens benadert God niet gaarne met gebed, om zich door Hem te laten verlichten en door Hem Wijsheid en waarachtig Verstand te ontvangen: de natuurlijke mens heeft de duisternis meer lief dan het licht en streeft meer naar wereldse wetenschap dan naar de Wijsheid Gods. 

Gelijk de mensen, die liever door de maan dan door de zon verlicht willen worden zeer dwaas doen, zo doen ook zij nog dwazer, die meer door de wereldse wijsheid dan door Christus de goddelijke Wijsheid verlicht willen worden. 

O dwaasheid, wanneer iemand gelooft meer door het schepsel dan door de schepper verlicht te worden.

Wie mij hier juist  verstaat, die heeft het begin tot de geestelijke eeuwige Wijsheid gevonden.

Amen

Epiloog

O Licht, Bron van alle Krachten,

verwarmende Gloed van het Vuur des Levens.

Indien Gij mij waardig zoudt bevinden 

om de omzetting te mogen volbrengen,

hoe bevoorrecht zou ik zijn.

Indien de loden ommanteling zou mogen smelten

in de intensiteit van Uw hitte,

hoe zouden hart en hoofd gereinigd worden

van hun beletselen.

Mijn leven zou zich voortspoeden

tussen het ware Begin en het goede Einde,

en niets zou er zijn,

dat mij zou afhouden van de Weg der Overwinning.

Daarom, Gij die ik ken als het Leven des Levens,

breng Uw Leven in mij als een voortdurende beweging,

opdat ik niet opgesloten worde

in de gevangenis der versteende beelden,

opdat ik niet besprongen worde 

door de scheppingen van mijn onreine hart

en mijn zelfgenoegzame denken.

Leg de Stilte van de eenvoud om mij, O Licht,

leg het peilloze Niets in de diepten van mijn zelf,

zodat ik langs de treden van het Innerlijke ervaren opklimme

tot de oevers van het Land Uwer Wijsheid,

waar het Grote Zwijgen der intense Scheppingsarbeid heerst.

Want Gij alleen zijt Heer, Schepper, Kennis, O Licht.

Amen


De Diepe Vrede van Bethlehem legge zich om u als de Stilte waarbinnen de grootse Arbeid der Ziel word voltrokken.




1970 - 2015, copyright Henk en Mia Leene