Als proloog lezen wij u een fragment uit het boekje van Djalalu’ddin Rumi:


Wanneer een van uw zintuigen in de loop van de ontwikkeling zijn boeien verbroken heeft, grijpt ook in de andere een verandering plaats.

Wanneer een zintuig dingen heeft aanschouwd, die geen deel uitmaken van de wereld der zinnen, dan wordt ons de ganse bovenzinnelijke wereld geopenbaard.

Wanneer een schaap der kudde over de stroom is gesprongen, dan springen de andere eveneens achter elkaars hielen aan. 

Drijf uw schapen, de zinnen, het weiland in, opdat zij mogen weiden temidden van de hyacint en de wilde roos, opdat zij de weg mogen vinden naar de bloeiende velden van de Ene Werkelijkheid. 

Ons lichaam is als de bedding van een rivier en onze geest is als het  vloeiende water. 

Het water is in beweging en gij meent, dat het stille staat; het vloeit en gij meent, dat het onbewogen blijft. 

En wat zijn strohalmen en takken, die over het watervlak heendrijven? 

Zij komen en zij gaan in voortdurende wisseling. 

Het zijn vormen van het denken, die zonder ophouden in verschijning treden, sommige zijn liefelijk, andere afstotend om te aanschouwen. 

Zie de bolsters op het voortsnellende water ronddrijven, zij zijn afkomstig van de vruchten, die rijpen in de onzichtbare tuin. 

Zo gij der kernen van de bolsters wilt vinden zoek dan niet op het water, maar wend uw blik naar de onzichtbare tuin. Uit de tuinen stroomt het water naar de bedding van de rivier. Indien gij niet de stuwingen van het water des levens ziet, kijk dan naar de bewegingen van het onkruid in de stroom. 

Wanneer het water sneller en sneller gaat, dan drijven ook de bolsters des te sneller voorbij. 

Wanneer de stroom de uiterste snelheid heeft bereikt, dan wijkt de zorg uit de geest van de gnosticus.

Want in de voortbruisende stroomversnelling is niets dan water op water te zien. 

Amen

1970 - 2015, copyright Henk en Mia Leene