Bezinningsmeditatie 46

Leer te geven zonder beloning te verlangen,

Leer te ontvangen zonder hoogmoedigheid te gevoelen,

Leer onbeweeglijk te staan in de zich terugtrekkende

en aanstormende golven uwer levenszee.

Accepteer de lessen tot aan het einde van uw dagen, pelgrim.

Amen


Als proloog lezen wij u een fragment uit het boekje van Djalalu’ddin Rumi:


Wanneer een van uw zintuigen in de loop van de ontwikkeling zijn boeien verbroken heeft, grijpt ook in de andere een verandering plaats.

Wanneer een zintuig dingen heeft aanschouwd, die geen deel uitmaken van de wereld der zinnen, dan wordt ons de ganse bovenzinnelijke wereld geopenbaard.

Wanneer een schaap der kudde over de stroom is gesprongen, dan springen de andere eveneens achter elkaars hielen aan. 

Drijf uw schapen, de zinnen, het weiland in, opdat zij mogen weiden temidden van de hyacint en de wilde roos, opdat zij de weg mogen vinden naar de bloeiende velden van de Ene Werkelijkheid. 

Ons lichaam is als de bedding van een rivier en onze geest is als het  vloeiende water. 

Het water is in beweging en gij meent, dat het stille staat; het vloeit en gij meent, dat het onbewogen blijft. 

En wat zijn strohalmen en takken, die over het watervlak heendrijven? 

Zij komen en zij gaan in voortdurende wisseling. 

Het zijn vormen van het denken, die zonder ophouden in verschijning treden, sommige zijn liefelijk, andere afstotend om te aanschouwen. 

Zie de bolsters op het voortsnellende water ronddrijven, zij zijn afkomstig van de vruchten, die rijpen in de onzichtbare tuin. 

Zo gij der kernen van de bolsters wilt vinden zoek dan niet op het water, maar wend uw blik naar de onzichtbare tuin. Uit de tuinen stroomt het water naar de bedding van de rivier. Indien gij niet de stuwingen van het water des levens ziet, kijk dan naar de bewegingen van het onkruid in de stroom. 

Wanneer het water sneller en sneller gaat, dan drijven ook de bolsters des te sneller voorbij. 

Wanneer de stroom de uiterste snelheid heeft bereikt, dan wijkt de zorg uit de geest van de gnosticus.

Want in de voortbruisende stroomversnelling is niets dan water op water te zien. 

Amen

Doe mij recht wedervaren, O Gij, die de roem der rechtvaardigen zijt. 

Gij zijt de troon en ik de drempel van Uw deur. 

Maar waar is drempel of deur, mogen wij ons naar waarheid afvragen? 

Waar is het Wij en het Ik? 

Daar waar onze Geliefde is. 

O Gij, die vrij zijt van de smetten van het Wij en het Mij, Gij die de Geest van mannen en vrouwen doortrekt. 

Wanneer het Wij en het Gij een ziel geworden zijn, dan zullen zij verloren raken en opgaan in de Beminde. 

In de aanbidding en de lofprijzing van de rechtvaardigen worden alle getuigenissen der profeten tezamen gekneed. Hun zangen stromen uit in een stroom, hun bekers worden geledigd in een vat. 

Want hij, die onder vele vormen geloofd wordt, is in waarheid slechts Een.

In werkelijkheid is er slechts een dienst aan God, waarin alle godsdiensten zullen opgaan, wanneer het uur gekomen is.

Alle eerbetoon wordt immers gebracht aan Gods Licht, in welke vormen het zich ook openbaart, alles komt uit Hem en zal, op het vooruit bepaalde tijdstip, tot Hem wederkeren. 

Mijn dagen gaan voorbij in droefheid en pijn. 

Kommer en zorg schrijden hand in hand langs mijn levensweg. 

Maar wat deert het, dat aldus mijn bestaan voortvliedt, wanneer Gij blijft wie Gij zijt, O onvergelijkelijke zuivere Geest. 

Hij, die de roos doet bloeien uit de doornen, kan ook de winter in lente doen verkeren. 

Hij, die de toppen der cypressen ten hemel verheft, kan ook vreugde verheffen uit droefenis. 

Ik wordt niet omvat door iets dat boven of beneden is. 

Ik wordt niet omvat door de aarde of de hemel, zelfs niet door de hoogste hemelen. 

Neem dit alles als een stellige zekerheid aan, O mijn geliefden. 

En nochtans is het het hart van den gelovige, dat mij omvat. 

Zoek mij in zulk een hart, zo gij mij vinden wilt. 

Amen

Epiloog

Het gouden Aurora is als een herinnering

aan de werkelijkheid van weleer,

toen de koninklijken hun vonken verzamelden

om het aureool des gouds te maken

als een lofzang aan de ziel.


Door de nevelige wolken, die te dikwijls

de Waarheid aan mijn blik onttrekken

dringen de gouden trillingen heen

als getuigen uit een verloren Wereld.


Zo een gouden trilling uit uw Hof der Liefde

mij blijvend mag vergezellen

op deze weg door de dalen der duisternis,

dank zij U, O Heer van Licht.


Moge de kroon der adeldom

eenmaal mijn Levensboom sieren

en allen omringen en roepen

met zijn purper-gouden glans.


Dan weet ik dat wij een zijn, Vader,

in het Rijk Uwer Lichtgeboorte.

Amen


Moge het ziele-goud, het Aurora van een eeuwige Dageraad, zich om uw hoofdheiligdom spreiden, vriend, vriendin. 




1970 - 2015, copyright Henk en Mia Leene