Wij lezen u een gedeelte uit het Evangelie van de Heilige Twaalven: 


Voor hen die het kwade gedaan hebben, is er geen rust, maar zij gaan uit en in, en lijden eeuwenlang tot hun verbetering, tot zij volmaakt geworden zijn.

Maar voor hen die het goede gedaan hebben en volmaaktheid verkregen hebben, is daar eindeloze rust en zij gaan het eeuwige leven binnen. 

Zij rusten in den Eeuwige. 

Over hen heeft het herhaalde sterven en geboren worden geen macht meer; voor hen wentelt het wiel van den Eeuwige niet meer, want zij hebben het middelpunt bereikt, waar eeuwige rust is, en het middelpunt van alle dingen is God. 

En een van de discipelen vroeg Hem: Hoe zal een mens het Koninkrijk binnengaan? 

En Hij antwoordde en zeide: Indien gij wat beneden is niet gelijk maakt aan wat boven is, en het linkse gelijk aan het rechtse, en wat achter is gelijk aan wat voor is, indien gij niet ingaat in het Middelpunt, en opgaat in den Geest, zult gij het Koninkrijk Gods niet binnengaan. 

En een andere discipel vroeg: Wanneer zullen allen de wet gehoorzamen? 

En Jezus zeide: Wanneer de Geest Gods de gehele aarde en het hart van iedere man en iedere vrouw zal vervullen. 

En ik wierp de wet op de aarde en zij schonk wortel en droeg op de gestelde tijd twaalf vruchten tot voeding voor allen. 

Ik wierp de wet in het water en zij werd gereinigd van alle vervuiling des kwaads. 

Ik wierp de wet in het vuur en het goud werd van alle droesem gereinigd. 

Ik wierp de wet in de lucht en zij werd levend gemaakt door de Geest van den Enen Levende, die alle dingen vervult en in ieder hart leeft. 

Toen Hij de lege ruimten van den vrees was binnengegaan ging Hij aan hen voorbij, die door het vergeten ontkleed waren, terwijl Hij Wijsheid en Voleindiging was, en verkondigde hetgeen in het hart des Vaders is, toen hij onderwees degenen die zonder onderwijs waren. 

Zij, die onderwezen zullen worden, zijn de levenden, die geschreven zijn in het boek van de levenden, die voor zichzelf het onderwijs aannemen, dat zij van den Vader ontvangen en die weer tot Hem terugkeren. 

Daar de Voleindiging van het Al in de Vader is, is het noodzakelijk dat het Al tot Hem opstijgt. 

Wanneer iemand de Godskennis heeft, ontvangt hij hetgeen het zijne is en trekt het tot zich. Want wie onwetend is, is gebrekkig en mist veel, daar hij te kort komt dat wat hem zal voleindigen. 

Daar de voleindiging van het Al in de Vader is, is het noodzakelijk dat het  Al tot Hem opstijgt en dat een elk ontvangt wat het zijne is. 

Hij heeft het van tevoren opgetekend, toen Hij het gereedmaakte, om hen te begiftigen, die uit Hem voortgekomen waren. 

Dezen, wier namen Hij van tevoren kende, werden aan het einde geroepen, zodat iemand die de Godskennis heeft, iemand is wiens naam de Vader heeft uitgesproken. 

Want hij, wiens naam niet uitgesproken werd, heeft de Godskennis niet en is onwetend. 

Waarlijk hoe zal iemand luisteren wiens naam niet werd afgeroepen? 

Want hij, die tot het laatste onwetend blijft is een product van het vergeten, en zal tegelijk daarmede vernietigd worden. 

Zo niet, waarom hebben deze verachten geen naam en hebben zij geen klank? 

Dus, wanneer iemand Wijsheid heeft is hij een wezen van Omhoog.

Wanneer hij geroepen wordt, luistert hij, geeft antwoord, wendt zich tot Hem die roept, en stijgt tot Hem op. 

En hij weet Hoe hij geroepen wordt en daar hij de Godskennis bezit, doet hij de wil van Hem, die hem riep. 

Hij, die zo de Godskennis zal hebben, weet vanwaar hij gekomen is en waar hij heen zal gaan.

Amen

1970 - 2015, copyright Henk en Mia Leene