Bezinningsmeditatie 41

Wij groeten u met de aloude groet der universele  Boodschappers:


Diepe Vrede kome in u. 

Diepe Vrede zij om u, 

Diepe Vrede schenke u aan allen, die smart lijden!


Mogen wij één zijn in deze gewijde ruimte, 

één in denken, 

één in willen 

één in reageren.

Amen


De eerste schrede op het Pad heeft in bijna alle gevallen de werking of men zich in een wespennest begeven heeft. 

Alle wachters van het karma verzamelen zich om u heen en tonen u hun aangezicht; iemand die niet op vaste voeten staat, wordt daardoor onzeker en zal verward het Pad wederom verlaten. 

Hij echter die vastbesloten is - en indien nodig - zonder op zich-zelf acht te slaan, zijn leven voor anderen wil geven, hij behoeft niets te vrezen.

Juist de beproevingen, in de op- en neergang van deze stormwind der smarten en ervaringen, geven hem kracht en inzicht en bewerkstelligen de groei van de ziel. 

Vergeet nooit dat het lijden dat de pelgrim door moet maken een noodzakelijk onderdeel van zijn pelgrimspad is, hij roept het zelf op, doordat zijn innerlijke gerichtheid het verbreken van het ik tot doel heeft.  

Aan het einde zal hij ervaren, dat zijn ziel, na de stormen die zij weerstand geboden heeft, schoner bloeit dan ooit.

Alle beproevingen zijn tijdelijk, aan het einde zal de pelgrim erkennen dat hij in werkelijkheid niets geofferd, maar alles gewonnen heeft.

Het zou ons van geen nut zijn, wanneer wij bij voorbaat wisten wat ons te wachten stond. Want wij moeten ons niet om werkingen bekommeren; wij moeten alleen op onze eigen plicht letten. 

Zolang wij het Pad duidelijk voor ons zien, is het van weinig betekenis, wat de uitkomsten van een enkele schrede zijn, die wij op de vlakte daarbuiten zetten. 

Het innerlijke leven is het werkelijke leven, en zo wij een volkomen vertrouwen hebben in de Oerbron, moeten wij er nimmer aan twijfelen dat innerlijk alles goed gaat, hoezeer het ook in de uiterlijke sfeer der schaduwen anders schijnen mag. 

Onze ontwikkelingsgang zet zich voort, zolang wij blijven vertrouwen en hopen, en niet nalaten ons te verenigen met het Doel, dat wij ons innerlijk gesteld hebben. 

Deze gedachte zal ons troost en zegen schenken, en ons stimuleren onze taak te verrichten en onze arbeid te volvoeren, wat er ook komen mag. 

Want er bestaat een groot verschil tussen een mens, die het spirituele leven in werkelijkheid kent, en de mens die er slechts over spreekt, maar het zelf niet ervaren heelt. 

Hij streeft er wel naar en hij tracht het wel te begrijpen, maar de onuitsprekelijke, inspirerende en schone aanraking van het spirituele leven heeft hem nog niet veranderd, noch kent hij de weldaad om te leven uit de welriekende geuren van de roos des geestes. 


De pelgrim, u, heeft enkele druppels van het hemelse water des vredes genoten en daardoor kracht gevonden. 

Weet nu, voor alle tijden, dat het ware onderscheid in de zielerust wortelt en dat uit de goddelijke rust de kracht het hart toevloeit. 

Ook aan het smartgevoel went de pelgrim, die het leven des geestes kent. 

Wij weten dat geen smart eeuwig duren kan en zelfs wanneer hij eeuwig duren zou, zou dat nog niet veel uitmaken. 

Wij mogen niet hopen, dat wij mede-arbeiders zullen kunnen zijn in mensendienst, wanneer wij niet van de vijand onze volle maat aan lijden aannemen. 

Doch het is dikwijls vreselijk om de toorn van deze  Heerser der Duisternis tegemoet te treden, en deze vermag ons een dodelijke schrik aan te jagen door Maya, zijn begoocheling, die hij van tijd tot tijd tot openbaring brengt. 

Een rein hart heeft echter niets te vrezen en kan er zeker van zijn tenslotte te overwinnen. 

De pelgrim mag zich niet ergeren over de voorbijgaande pijnen en misleidingen, die de begoocheling bij hem veroorzaken. 

Zo zij een directe verwoesting in zijn innerlijk aanrichten, dan moet de pelgrim zich nederzetten op de ruïnen van zijn eigen wezen en rustig wachten totdat de nevelen der begoocheling wederom opgetrokken zijn. 

Hij moet de wolken van twijfel en onrust steeds de gelegenheid geven boven zijn hoofd weg te waaien, doch daarbij moet hij steeds het anker dat hij gevonden heeft, stevig vasthouden. 

De vijand kan hem geen werkelijke schade berokkenen in zijn ware wezenheid, zolang hij het grote Doel met heel zijn kracht en ziel toegewend blijft. 

De pelgrim zal niets ervaren wat niet voor hem het beste is. 

Daarom moet hij alles wat hem overkomt in vrede en begrip aannemen en zich geen zorgen maken over de dag van morgen.

Een door de storm geteisterde boot op een woedende zee, is rustiger dan het leven van de pelgrim op de weg naar het heiligdom des geestes. 

Een vreedzaam leven zou stagnatie en dood betekenen voor de mens, die het recht op Vrede nog niet verworven had; het recht op die Vrede ontvangt hij slechts door het verbreken van de ik-gerichtheid. 

Uit intellectuele leringen kan de pelgrim weinig nut trekken. Het enige weten dat voor hem werkelijk het bezit waard is, is het weten der ziel, dat het hoofdheiligdom verlichten zal. 

Hoe meer dit zieleweten in de pelgrim toeneemt, des te gemakkelijker zullen de belemmeringen op het Pad wegvallen. 

Daarom moet de pelgrim verstaan, dat strijdbare trouw voor een persoon of een doel, nauwelijks voor hem iets lofwaardigs is, en dat zulk een trouw beslist geen teken van spirituele voortgang betekent. 

De Pelgrim bewaart - op alle momenten - de innerlijke vrede en de rust zijner ziel, want hij weet, dat zijn ziel groeit door innerlijke harmonie en rust.

Daarom zal hij zich door geen enkele bemoeiing van de vijand laten verontrusten, want voor hem geldt slechts dit ene: zijn ziel tot volwassenheid te brengen. 

Daarom, o pelgrim, drink uit de Beker der innerlijke Vreugden, en vul uw hart met de schoonheid van de goddelijke Wijsheid, opdat de Liefde door u tot de wereld kome.

Amen

Epiloog

Daal neder in de grot, pelgrim

en zoek het Bethlehem

waar de Vrede der Harmonie

de stilte legt over het Eerste Uur.


De Dag der Dagen ligt verborgen

achter de stormen die de doorbraak leiden ,

waarop het Aurora het Land der Waarheid overziet.


Dan zult gij hem herkennen 

die aan de Poort staat, pelgrim! 

Gij zult niet aan hem voorbij kunnen gaan, 

want Dankbaarheid smeedde u vast aan de opdracht 

die vervuld moet worden.


Zo zult gij de werkelijkheid gaan zien 

en zo gij meent geoordeeld te zijn, 

zult gij reeds van verre de melodie der goden

op u toe horen komen  

daar de poort zich openen gaat, voor u, 

die geroepen werd tot de ver-assing 

in het Vuur der Omzetting

Loof dit Uur der Waarheid, pelgrim - en weet!

Amen


De Vrede der zielestaat vervulle u , 

en voere u tot een Nieuwe Menswording, 

opdat de mensheid wete, door u, 

dat er een Verlossing uit de gebondenheid bestaat! 

Moge gij broeders en zusters, uw roeping uitdragen.




1970 - 2018, copyright Henk en Mia Leene