Mijne uitverkorenen, harnast u niet met de ijzeren wapenrusting, want uw harnas behoort uw deelname te zijn aan het Nazareeërdom, aan de waarachtige Broederschap. 

Uw wapenrusting wordt vervolmaakt door de Ware Rede die uit de Plaats des Lichts komt. 

Draag het zegel van Uwen Vader en laat het in heel uw wezen branden en verwijder het niet tot aan de dag van uw verlossing, wanneer gij de stof zult hebben uitgedaan.

Vast het grote vasten. 

Vast met uw hoofdheiligdom door het in geloof Uw Heer toe te keren en prijst en vereert Hem, die de Heer over alle werelden is. 

Vereert geen goden die in de wereld zijn, en wanneer gij nalaat hen te dienen, zullen zij u dienen.  

Wanneer het ware geloof in u leeft zullen alle wereldse goden uw dienaren zijn.

Vast door uw blik rein te houden en geen licht te verspelen door boze blikken op elkander te werpen. Vast door uw mond verre te houden van leugenachtige, ijdele praat, zeg niets dat onwaar en vals is. 

Vast met uw oren door niets kwaads door het gehoor in uzelf te laten binnendringen. 

Vast, en louter uw hart door het geloof en wek geen kwade gedachten op. 

Vast doordat uw handen zich niet vergrijpen aan de kinderen des eersten mensen, Adamas.

O volmaakten en gelovigen, laten uw handen zich niet beijveren om de werken der kwade magie te volvoeren. 

Veracht de werken die u in deze wereld verrichten moet niet, maar weest oprecht, zachtmoedig, bescheiden en vriendelijk, jegens allen, maar vooral jegens hen, die van het Licht der Lichten stammen. 


Toen de bode des Levens de mens gevonden had, sprak hij tot hem:

O Adamas, sta op! Stijg op tot uw eigen woning, tot de plaats waarin u vroeger woonde en waar de Zon niet ondergaat en uw lampen niet duister worden. 

Neem het glanzend gewaad en bekleed u daarmede en hul u in het kostbare licht. Zet uw kroon, uw kroon waardoor alle werelden hun licht ontvangen, op uw hoofd en doe de gordel des levenden waters om, waarin men zonder smarten en zonder lijden verblijven kan. 

Zet u neder op uw troon des Lichts die door het volkomen leven voor u opgericht werd en vergeet het huis van uw verzorger waarin u dagelijks vervolgingen ondervond. 

Onderga geen smarten door die woning achter te laten, o Adamas, want die woning ligt in de woestijn en de gehele woning is ledig. 

De werken zullen volkomen verlaten zijn en zullen niet meer verenigd worden. En rond de woning is een wereld vol slechtheid en de toorn heerst in alle steden. Opdat het kwaad en de toorn niet over de tijdperken kome, daarom sta op, Adamas, en verlaat deze wereld en uw grauwe, smerige gevangenis.

  Toen opende Adamas zijn mond en sprak tot de bode des Levens: 

Vader!  

Als gij weet dat het zo is, waarom bedroog gij mij dan en bracht mij in die grauwe gevangenis? 

Als ik nu dat lichaam verlaat, mijn gevangenis achterlaat, wie zal daar de hoeder, de bewaker zijn?

Daarop antwoordde de bode des Levens: 

Waarom verzet gij u, Adamas, waarover maakt gij u zorgen, waarom bekommert gij u over dat lichaam en die woning? 

Zal er een stoflichaam in het Huis des Levens zijn? 

Het stoflichaam stijgt niet op tot het Huis des Levens!

En Adamas sprak: 

Gezondene des Levens, kan ik dan vrouw en kinderen niet medenemen, opdat zij mij tot gezelschap zullen zijn?


Doch de bode des Levens antwoordde: 

In het Huis des Levens zijn geen stoffelijke lichamen. 

Vormen komen niet tot het Huis des Levens en Vader en Moeder, broeders en zusters, goud en zilver kunt gij niet medenemen, want daarop zult gij niet kunnen vertrouwen in deze Plaats des Lichts. 

Adamas, gijzelf en gij alleen zult beproefd worden en uw werken zullen zich bewijzen en de waarheid bekend maken. 

Uw werkelijke broeders wachten u in het Huis des Levens en hun kracht zal ons begeleiden wanneer wij de weg gaan die vol distels en doornen is en die door zeven muren omgeven wordt.

Toen verliet de ziel het stofkleed en haar oog aanschouwde de gevangenis waarin zij opgesloten was geworden en zij gevoelde een grote droefheid: Wee, wee allen die mij bedrogen en mij vastklonken aan deze gevangenis en mij onderwierpen aan de kracht met de leeuwenkop, die grimmige moordende leeuw. 

Ik werd onderworpen aan de wereld die door de draak omvangen wordt en moest de kwade planeten gehoorzamen, die steeds onrust en strijd veroorzaken. 

Dagelijks smeedden zij wapens tegen mij en richtten voor mij afgodsbeelden op, opdat ik verleid zou worden. 

Door de kracht van het Grote Leven werd ik in hun midden geplaatst, tussen hen die mijn broeders zouden moeten zijn, en ik geleek één van hen, doch het Grote Leven was in mij en scheidde mij van hen. 

Zo sprak de ziel des mensen. 

Toen spraken de Zonen des Lichts, die zich naar de bode des Levens haastten:

O Adamas, gij zijt een Zoon des Groten Levens, de dienaar van het machtige Leven, stijg op, richt uw blik omhoog en niet naar beneden en neem plaats in de lichtende Wolk.


Toen richtte Adamas zich op en ging de lichtende wolk binnen en het Grote Leven nam hem op en het heelal sidderde. 

Amen

1970 - 2015, copyright Henk en Mia Leene