De dagen zullen zich heen spoeden en de mensen zullen zich gedwongen gevoelen om hun licht te verzamelen en hun goede werken ten toon te spreiden. 

Zij zullen in zich het leven voelen bruisen alsof zij vol zijn van geconcentreerde energie en zij zullen zich beijveren om in één dag de werken van vele jaren samen te voegen.

Want het linkse snelt toe op het rechtse, en het duister gevoelt hoe het licht naderbijkomt en het hoofd ziet de redenen des harten op zich toekomen en allen zullen zich beangst gevoelen, want wat zal de ontmoeting brengen?

Hoe zal de ontmoeting zijn?

De zon en de maan zullen tezamen hun licht over de aarde laten schijnen en er zal geen nacht meer zijn en geen dag. 

Het licht zal zijn als een doorlopende ontmaskering en het duister zal zijn heengegaan, zodat niemand zich meer daarin kan verbergen. 

Dan zal het ene ik tegenover het andere ik staan. 

En de ziel tegenover de ziel.

En zij zullen verwonderd zijn.

En zij zullen elkander niet herkennen.

De vreemde zal de vriend worden en de vriend de vreemde. 

De liefde zal haat blijken te zijn en de schoonheid zal haar verleiding verliezen. 

De mensheid zal in verwarring geraken, want dat wat waar scheen, blijkt de leugen. 

O mijn God ! Waar is Uw tegenwoordigheid?

Op die dag echter zal niettemin het wonder geschieden, want de Volmaakte, de Zoon der Slangen zal opstaan vanonder het Rad des Doods en hij zal uit die verwarring opstijgen tot in het Land der Eenheid. 

Vriend, gevoelt gij reeds de verwarring? 

Gevoelt gij reeds hoe de doodschaduwen van het naderende einde u trachten te beroeren, om u te omwikkelen met de verrader-lijkheid der verwarring, der uiterlijkheid, der twijfel, der wanhoop? 

Gevoelt gij reeds hoe al het duistere, al het lichtschuwe, de krachten inspant om gevangenen te maken? 

Let wel, gij mensenzoon, gij die de bewaker van de Schat des Allerheiligsten werd, de gevangenissen zullen worden bestormd om die Schat te roven.

Zijt gij bewapend? 

Bewapend met de wapenen der nieuwe Hemel-Aarde, die als een kernsplitsing het kwade teniet zullen doen? 

Staat gij opgericht in uw harnas, dat bestaat uit het deel-hebberschap aan de Gemeenschap der Geroepenen? 

Wij vragen u, gij, die de Rede der Waarheid ontvangen hebt, zijt gij bereid àlles te offeren terwille van die Schat des Aller-heiligsten?

Want de legers van de trawanten der begoocheling en der imitatie zullen optrekken, en zij zullen geen poging nalaten om het licht te roven, dat in u gloeit en groeit tot Vorm en Kleur en Klank. 

Gij zijt de gevangenbewaarder, gij zult die Schat op de tijd die daartoe bestemd is, terug moeten geven aan zijn Bezitter. 

Gij zult zelf mede moeten werken, opdat de Vlam worde tot een lichtend vuur. 

Nu de tijden zich heenspoeden naar het voorbeschikte moment, nu de zeven engelen hun bazuinen reeds heffen, nu zult gij u een laatste krachtsinspanning moeten getroosten en gij zult u moeten richten tot 

Degene, die gij bewaakt en zeggen: 

Kom naast mij o Licht - wees vrij - en laten wij tezamen, in harmonie en eenheid de komende dag tegentreden. 

Want ik, de gevangenbewaarder, zal moeten ondergaan, mijn taak is ten einde. 

Maar gij, o Licht, verhef u, opdat gij worde tot een Zoon der Slangen, een Geroepene des Heren. 

En mogen de Zeven Donderslagen uw hoofd bekronen, opdat het heelal nederkniele aan uwe voeten. 

Amen

1970 - 2015, copyright Henk en Mia Leene