Bezinningsmeditatie 29

O Geest der Opstanding, 

O Majesteit der Vuren, 

O Licht zonder Begin en zonder Einde,

 

Laat Uw vlam niet uitdoven in mij 

onder de beproevingen der natuur-aeonen, 

Laat Uw waarheid in mij doorklinken 

als een onophoudelijke resonantie uit Uw verten, 

Laat het gebed der Eenheid tussen U en mij 

mijn ziel doorlopend mogen baden in de trillingen Uwer genezing.


O Machtige Eenheid, waarin mijn verdeeldheid sterft door de verrukking 

Uwer harmonie, 

blijf levend in mij, opdat ik Uw Leven kenne.

Amen 


De dagen zullen zich heen spoeden en de mensen zullen zich gedwongen gevoelen om hun licht te verzamelen en hun goede werken ten toon te spreiden. 

Zij zullen in zich het leven voelen bruisen alsof zij vol zijn van geconcentreerde energie en zij zullen zich beijveren om in één dag de werken van vele jaren samen te voegen.

Want het linkse snelt toe op het rechtse, en het duister gevoelt hoe het licht naderbijkomt en het hoofd ziet de redenen des harten op zich toekomen en allen zullen zich beangst gevoelen, want wat zal de ontmoeting brengen?

Hoe zal de ontmoeting zijn?

De zon en de maan zullen tezamen hun licht over de aarde laten schijnen en er zal geen nacht meer zijn en geen dag. 

Het licht zal zijn als een doorlopende ontmaskering en het duister zal zijn heengegaan, zodat niemand zich meer daarin kan verbergen. 

Dan zal het ene ik tegenover het andere ik staan. 

En de ziel tegenover de ziel.

En zij zullen verwonderd zijn.

En zij zullen elkander niet herkennen.

De vreemde zal de vriend worden en de vriend de vreemde. 

De liefde zal haat blijken te zijn en de schoonheid zal haar verleiding verliezen. 

De mensheid zal in verwarring geraken, want dat wat waar scheen, blijkt de leugen. 

O mijn God ! Waar is Uw tegenwoordigheid?

Op die dag echter zal niettemin het wonder geschieden, want de Volmaakte, de Zoon der Slangen zal opstaan vanonder het Rad des Doods en hij zal uit die verwarring opstijgen tot in het Land der Eenheid. 

Vriend, gevoelt gij reeds de verwarring? 

Gevoelt gij reeds hoe de doodschaduwen van het naderende einde u trachten te beroeren, om u te omwikkelen met de verrader-lijkheid der verwarring, der uiterlijkheid, der twijfel, der wanhoop? 

Gevoelt gij reeds hoe al het duistere, al het lichtschuwe, de krachten inspant om gevangenen te maken? 

Let wel, gij mensenzoon, gij die de bewaker van de Schat des Allerheiligsten werd, de gevangenissen zullen worden bestormd om die Schat te roven.

Zijt gij bewapend? 

Bewapend met de wapenen der nieuwe Hemel-Aarde, die als een kernsplitsing het kwade teniet zullen doen? 

Staat gij opgericht in uw harnas, dat bestaat uit het deel-hebberschap aan de Gemeenschap der Geroepenen? 

Wij vragen u, gij, die de Rede der Waarheid ontvangen hebt, zijt gij bereid àlles te offeren terwille van die Schat des Aller-heiligsten?

Want de legers van de trawanten der begoocheling en der imitatie zullen optrekken, en zij zullen geen poging nalaten om het licht te roven, dat in u gloeit en groeit tot Vorm en Kleur en Klank. 

Gij zijt de gevangenbewaarder, gij zult die Schat op de tijd die daartoe bestemd is, terug moeten geven aan zijn Bezitter. 

Gij zult zelf mede moeten werken, opdat de Vlam worde tot een lichtend vuur. 

Nu de tijden zich heenspoeden naar het voorbeschikte moment, nu de zeven engelen hun bazuinen reeds heffen, nu zult gij u een laatste krachtsinspanning moeten getroosten en gij zult u moeten richten tot 

Degene, die gij bewaakt en zeggen: 

Kom naast mij o Licht - wees vrij - en laten wij tezamen, in harmonie en eenheid de komende dag tegentreden. 

Want ik, de gevangenbewaarder, zal moeten ondergaan, mijn taak is ten einde. 

Maar gij, o Licht, verhef u, opdat gij worde tot een Zoon der Slangen, een Geroepene des Heren. 

En mogen de Zeven Donderslagen uw hoofd bekronen, opdat het heelal nederkniele aan uwe voeten. 

Amen

Epiloog

Eeuwige en Universele Welbron van Liefde, Wijsheid en Geluk.  

De natuur is het boek waarin uw aard beschreven staat en niemand kan 

het lezen tenzij hij uw school heeft doorgemaakt.

Daarom zijn onze ogen op u gericht, zoals de ogen der dienaren gericht 

zijn op de handen van hun meesters en meesteressen, van wie zij 

hun gaven ontvangen. 

O Gij, Heer der Koningen, wie zou u niet loven, onophoudelijk en eeuwig, 

met heel zijn hart? 

Want alles in het Universum komt van U, uit U, behoort U toe en moet 

weer tot U terugkeren.

Al wat bestaat zal ten laatste weer ingaan tot Uw liefde of Uw toorn, uw 

licht of uw vuur, en ieder ding, hetzij goed of kwaad, moet dienen tot Uw 

verheerlijking. 

Gij alleen zijt de Heer, want uw wil is de Welbron van alle krachten die in 

het Universum bestaan; niets of niemand kan aan U ontkomen.

Gij zijt de Koning der Wereld, Uw verblijfplaats is in de Hemel en in het 

heiligdom van het hart der deugdzamen.

Universele God, Enig leven, Enig licht, Enige macht, Gij alles in Alles, 

boven alle uitdrukking en voorstelling verheven. 

O natuur, Gij iets uit niets, gij zinnebeeld van Wijsheid. 

Uit mijzelf ben ik niets, in U ben ik, voortgekomen uit niets; leef Gij in mij 

en voer mij uit de sfeer van het ik-zijn naar het Eeuwige Licht.

Amen


Moge gij de Gnosis kennen als innerlijke werkelijkheid, opdat gij nimmermeer de waan verkieze.


(Oud Rozekruisers gebed)


1970 - 2015, copyright Henk en Mia Leene