Bezinningsmeditatie 18

Verenigd in deze tempel der Gnosis  opgenomen in het Krachtveld der Heiliging, aangeraakt door de trillingen der vernieuwing :

Laten wij in vastbeslotenheid en moed het fundament bouwen waarop het Tehuis Sancta Spiritus op kan rijzen.

In de stralende pracht van Uw Glorie, O Licht der Lichten !

Amen 


Meester Eckehart spreekt: 


Gij hebt voor alle dingen nodig, dat gij uzelf niets toedicht. 

Verlaat uzelf geheel, en laat God voor u en in u werken, gelijk Hij wil. 

Dit werk is het Zijne; dit woord is het Zijne, deze geboorte is de Zijne en alles wat gij zijt is geheel het Zijne. 

Want u hebt uzelf opgegeven en zijt buiten uw zielekrachten getreden en buiten hare werken, en buiten de eigen geaardheid van uw wezen.

Daarom moet God geheel en al uw wezen en krachten binnen treden, omdat er, wanneer gij uzelf van alle eigenschappen ontledigd en beroofd hebt, geschreven staat: "De stem roept in de woestijn". 

Laat deze eeuwige stem in u roepen naar het haar behaagt, en wees voor uzelf en voor alle dingen: een woestijn. 

Nu zoudt gij kunnen zeggen: Ach Heer, hoe moet deze mens zich houden, die verlaten en leeg moet worden van zichzelf en alle dingen?

Moet deze mens, ten alle tijde, in een wachten verkeren op het werken van God, en zelf niets doen, of moet hijzelf bewijlen iets doen, zoals bidden en lezen, of andere heilzame bezigheden verrichten, hetzij een preek horen of de Schrift bestuderen; want eigenlijk moet hij niets van buitenaf, neen alles uit het innerlijk nemen van zijn God ? 

En, zo deze mens deze werken niet doet, verzuimt hij dan niet iets? 

Alle uiterlijke werken hebben tot vooropgezet doel, dat de uiterlijke mens daardoor tot God wordt gericht en tot geestelijk leven en goede dingen gebracht wordt, opdat hij niet verdwale en het niet-aan-God-gelijke, maar hierdoor in toom gehouden wordt en verhinderd wordt zichzelve te ontlopen in vreemde dingen; dat wil zeggen, dat God de mens bereid vindt, wanneer hij zijn werk volvoeren wil, en hem niet eerst uit verre en grove dingen behoeft te trekken. 

Want hoe groter de lust tot uiterlijke dingen is, des te zwaarder weegt het leed, wanneer het op scheiden aangaat. 


Zie, daartoe zijn alle vrome oefeningen bedacht; bidden, lezen, zingen, waken, vasten, boetedoening en alle heilzame oefening, opdat de mens daardoor worde gevangen, en vrijgemaakt van vreemde, ongoddelijke dingen. 

Wanneer de mens dan gewaar wordt, dat de geest, God niet in hem brengt en dat de innerlijke mens van God verlaten is, dan is het ten eerste noodzakelijk dat de uiterlijke mens zich in alle deugden oefenen gaat en in het bijzonder in datgene, dat voor hem het meest bevorderlijk en nuttig is. 

Maar niet om zichzelf daarop te verheffen, maar de waarheid ter ere, en opdat hij niet door grove dingen getrokken en misleid wordt, maar God zo aanhangt, dat God hem nabij vindt, wanneer Hij wederkeren wil en Zijn werk wil doen in de ziel en Hij haar niet ver behoeft te zoeken. 

Maar als de mens zichzelf echter in het wezenlijk innerlijke vindt, dan laat hij moedig af van alle uiterlijkheden, al waren het ook zulke oefeningen, dat gij u daartoe met beloften verbonden had, van welke, paus noch bisschop u zouden kunnen bevrijden. 

Want de gelofte die iemand aan God doet, die kan niemand hem ontnemen; want elke gelofte is een zichzelf verbinden aan God. 


Al heeft de mens zich ook nog tot zovele dingen verbonden, komt hij tot de wezenlijke innerlijke beleving, dan is hij van alle dingen vrij. 

En dit meende Paulus, toen hij zeide: "Als het voleindigde komt, dan vergaat wat half is.

En als gij bidt dan zult gij niet vele woorden hebben in uw gebed, gelijk de Farizeeër, die menen verhoord te zullen worden door veel spreken. 

Dat wij hier deze rust en dat innerlijk zwijgen zo navolgen, dat het eeuwige woord in ons gesproken en verstaan wordt en wij één worden met Hem, daartoe helpe ons de vader. 

Amen

Epiloog

Van hunkerende zielen zijn wij geworden tot dankbare zielen . 

Van zoekende mensen zijn wij geworden tot wetende mensen.  

Van dolende wezens zijn wij geworden tot onmisbare leden 

van een Gemeenschap, 

die zich vormen gaat in eenheid, in harmonie, in reinheid.

Moge ieder zijn taak kennen in die Gemeenschap. 

Moge ieder zijn opdracht vernomen hebben 

ten dienste van die Gemeenschap.  

Moge ieder blijvend bevestigd zijn aan het Lichaam der Gemeenschap 

op de plaats die hem geestelijk toekomt.

Als delen van die Geestelijke Gemeenschap 

bidden wij als één, verlangen wij als één, arbeiden wij als één.

Zo God wil geschiede dit vanaf NU 

tot aan de Volle Dag des Heren.

Amen


Vertrouw op de Kracht, die in u is en volg de Stem der Gnosis, die u roept. 

Het Licht-der-Lichten blijve u nabij op al uwe wegen ! En God, uwen Vader moge u blijvend herkennen als de Zoon, die juichend wederkeert !




1970 - 2015, copyright Henk en Mia Leene