Epiloog

Indien Gij in mij blijft, O Eeuwige, 

zal ik nimmer de dood der verstening smaken. 

Indien Gij in mij blijft, O Almachtige, 

zal ik nimmer de krachteloosheid mijner zinnen gevoelen. 

Indien Gij in mij blijft, O Barmhartige, 

zal ik nimmer de doornen der droefenis in mijn vlees voelen branden. 

Indien Gij in mij blijft, O Getrouwe, 

al ik nimmer de trouweloosheid van mijn hart ontdekken. 

Indien Gij in mij blijft, O Vader-Moeder van al wat IS, 

zal ik nimmer opgenomen worden in de wrede cirkelgang van het wiel 

der doodsnatuur.


Gij, in Wien ik mij zou willen uitstorten 

als in een eeuwig stromende zee, 

in Wien ik mijzelf zou willen vergeten 

alsof ik een blad was op de golven van de oneindigheid, 

luister naar mijn bede:


Neem mij onder de schaduw van uw vleugelen, O Machtigste, 

en verander mij in een bloeiende rank, 

die Uw Boom des Levens siert in de Hof van Eden. 

Laat mijn bloemen geuren 

en velen voeren tot de Alkracht van uw Levende Majesteit, 

en vervul aan mij de woorden uit de Heilige Schrift: 

"Alzo zeg Ik u, indien Gij in mij blijft, vraagt wat ge wilt 

en het zal u geworden!" 

Indien Gij deze bede verneemt, o Vader, 

Het zij zoals Gij wilt, en mijn wil verzinke in de Uwe. 

Amen


1970 - 2015, copyright Henk en Mia Leene