Toen de tijden vol geworden waren nam de zon zijn Licht terug en de maan was, niet meer. 

En de aarde en de hemel vergaten hun grenzen en vermengden hun sferen en de mensen vielen neder in grote angst, want zij herinnerden zich de woorden hunner wijzen; 

Ziet, de dag zal komen dat al het oude voorbij zal gaan en het nieuwe zal komen na grote barensweeën.


En de schemering der onwetendheid werd vaneengescheurd door een luide stem, die het geluid had van een klaroen stoot en hij zeide:

Hoort, de Almachtige heeft het Boek der Boeken geopend en de woorden tot leven geroepen die daarin geschreven zijn. 

Nu zal het oude voorbijgaan en de Nieuwe Hemel en de Nieuwe Aarde zullen verschijnen aan al diegenen, die geleerd hebben met het innerlijk oog te schouwen.

Na de stem was er een verblindend licht, dat niemand kon waarnemen dan zij, die hun stoffelijke zintuigen sloten, terwille van de innerlijke zintuigen, en zij zeiden:

Waarlijk, dit is het grootste Licht dat uit en door zichzelve schept en leven brengt - wij weten dat de kiem van de Nieuwe Hemel-Aarde wordt bevrucht en tot volle wasdom zal komen. 

Weldra zullen de geroepenen bijeengegaard worden en hun taak aanvangen.

En het Licht schroeide al wat sterven moest dicht en verbrandde hetgeen geen nut had - en het verwarmde en verlichtte al wat tot nieuw leven komen moest en zij, die op dit uur gewacht hadden, zagen dat het goed werd. 

De elementen van de oude hemel en de oude aarde: water, lucht, vuur, aarde en ether, verloren hun kracht en werden weggenomen tot zuivering en de stilte, die door geen stem en geen kreet verstoord kan worden, deed zijn intrede om in haar schoot de kiem van de nieuwe Hemel-Aarde te doen rijpen. 

Op dat moment werden vele mensen tot zieners - en velen vreesden met een ongekende vrees, en weer anderen kwamen tot inkeer. 

Allen ondergingen echter de pijn van het stervensuur, en de smarten van de geboorteweeën, niemand kon zich in onwetendheid afwenden. 

Toen dan de ure gekomen was waarop de nieuwe Hemel-Aarde zich verhief uit de ethers der vernieuwing en de Geest als een vurige slang over de wateren der geboorte zweefde, sprak de wetende mens:

Gij kunt nu rechtop staan, vast als een rots, temidden van het gewoel, Uw innerlijke Strijder gehoorzamend, die is gijzelf en uw koning.

Met het innerlijke oog zult gij zien, en door uw innerlijke gehoor zult gij leren spreken. 

En al uw zintuigen, reagerende op de leiding van de innerlijke Strijder, zullen medewerken aan de bouw van deze, uw nieuwe Hemel-Aarde. 

En gij zult zijn als een levend atoom in een heilige macros en levende zult gij getuige zijn van de wonderen des Heren. 

De mensheid zal God zelve ontmoeten door de wedergeboorte van de wereldziel en van de individuele ziel. 

En Hij, de God der Goden, zal in de wereld en buiten de wereld, in de mens en buiten de mens zijn, en er zal geen scheiding meer zijn tussen het lagere en het hogere. 

Want wat de ouden en de wijzen zeiden is nu Waarheid geworden: Het Boven daalde neder en omarmde het Beneden en zij werden tot één. 

Geest en ziel verheffen zich als het Goddelijk Vuur in een nieuw volmaakt lichaam. 

Dan zal de mens geworden zijn tot die hij wàs voordat de wereld tot aanschijn geroepen werd. 

De Zoon des Lichts, zittende op de troon zijner heiligheid en in zijn hand de vurige staf der wijsheid. 

En Hij, die zijn zonen zag lijden en al zijn schepselen zag worstelen in de wereldbrand zal juichen: 

Ziet, mijn Zoon is thuisgekomen! 

Amen

1970 - 2018, copyright Henk en Mia Leene