1980 Kerst

O Universeel Licht

onsterfelijke Levensbron voor al wat is;

O Kracht die alles en allen doortrekt;

O Rust van het universum

waarin de Diepe Vrede zingt:


laat ons Het leven ervaren;

laat ons De kracht vervullen;

laat ons de Diepe Vrede omvatten.


In u wone mijn hart

in u ademe mijn ziel

in u ruste mijn denken.

Amen


En de uren van bezinning kwamen nader en namen de gewonde harten en gepijnigde zielen in de schoot van hun omarming op en de fluistering van het Goddelijke spoedde zich om de vermoeiden nieuw leven in te blazen.

De nacht — die het diepste is voordat de dageraad zich aanmeldt — legde zich ter ruste terwille van de wonderbare Geboorte die zich herhaalt als een gebed tot de Schepper;

wie zou hier zijn stem durven verheffen — wie zou hier de stilte durven verbreken? wie zou hier durven schreien?

De geboorte-weeën zijn als ziele-pijnen die slechts de wijzen verstaan; zijn zij, die de Chrêstos-geboorte afwachten niet altijd alleen met hun ervaring?

Luisteren zij niet intensief naar hetgeen zich in hen afspeelt?

Als de stem van de unieke Vader nederdaalt op de vleugelen van de vredesduif hebben zij hun hart gereinigd, opdat het grote wonder zich hierin kan voltrekken.

Wacht, ijverende mens, wacht; wacht, hunkerende hart, wacht; wacht, hopende ziel, wacht!

De muziek vanuit het hemelse hof van uw Vader is nog niet op aarde nedergedaald — het afweergeschut van de strijdenden en het stemmengeroes van de ongelovigen zij nog te sterk —

wacht, wacht, mijn ziel — wacht, wacht, mijn hart, wacht, wacht, mijn verlangen —

beluister de naderbijkomende stap van de Stilte die de Vrede in zijn armen draagt en aan je deur zal kloppen — wanneer de tijd dààr is.

Het verleden trekt aan het geestesoog voorbij en het heden wil binnendringen — de toekomst probeert de gedachten weg te zuigen naar de onzekerheid — doch NU is het ogenblik van Diepe Stilte gekomen en de Vrede vraagt de inzet van ziel, hart en denken.

Wees gerust mijn ziel, gij zult niet tevergeefs wachten; wees gerust, mijn hart, gij zult niet tevergeefs hopen, wees gerust, mijn denken, gij zult niet tevergeefs beeltenissen vormen,

zie het Licht komt naderbij — het is warm, het is verlichtend, het is overweldigend —

niets beweegt zich meer in mij dan de Stilte —

niets beweegt zich meer in mij dan de Volheid —

niets beweegt zich meer in mij dan de Vrede —

een Vrede waaraan ik alles overdraag.

Vrede — Vrede — Vrede — de nacht trekt zich terug het Aurora des Levens brengt zijn adem in mij.

Amen

De hoop keert van zijn hemelreis terug en brengt de Boodschap van de Vader mede:

Ik leg Chrêstos opnieuw in uw ziel, Geliefd Kind, bewaar Hem tot in eeuwigheid;


En de gelijken, zij die van het Koninkrijk des Vaders stammen, gevoelen ontroering, want er zal nooit wanhoop zijn — en de strijd zal niet eindeloos voortduren — en de egocentriciteit en de zielloosheid zullen niet overwinnen —

want de hoop bracht het zaad des Lichts mede terug uit het Huis van den Vader, waar Hij het opnieuw Zijn leven inblies — opdat de thuiskomenden voortdurend herinnerd zouden worden aan hun afkomst.

Zo keerde in de harten en de zielen van de Lichtgeborenen het Licht weder — en konden zij, zonder droefenis en angst, hun vergissing gedenken — want de genade van hun Schepper zal op gezette tijden een Licht ontsteken in de aardse dreven, waar de lichtloosheid rondwaart, op zoek naar zijn prooi.
Neen, neen, gij zult niet van het Licht worden gescheiden, gij niet, die uit het Licht geboren zijt en tot het Licht wilt teruggaan —

gij zult een materia mater van uzelf maken waarin het zaad voor de wedergeboorte des Lichts geplant zal worden —

en ook gij zult uw hoofd opheffen wanneer de stem roept: Mirjam, Mirjam, gij universele moeder, gij oergrond van de geestelijke ontvangenis, wanneer zult gij toebereid zijn?

Want kan het Licht ooit het Licht vergeten? Kan een Lichtgeborene ooit de lichtloosheid aanbidden? Kan een vonk het vuur verraden?

Weest daarom verheugd, gij ziel uit geest — weest daarom hoopvol, weest daarom vredig — het gaat voorbij, het gaat voorbij al die duisternis, want de hoop is teruggekeerd en hij rust op de Berg der goden — en hij ziet uit naar de Lichtgeboorte die mensheid en aarde bemoedigen zal.

Kijk mede, kijk mede mensenkind; kijk mede, kijk mede, de sterren maken zich reeds gereed om heen te gaan; kijk mede, kijk mede, het Aurora van een nieuw Leven tekent zich af aan de horizon;

houdt uw oog gericht op de geest; luister naar de hoop; verraadt uw innerlijke adeldom niet en uw wijding in de nacht der nachten zal voltrokken worden.

Geduld, mensenkind, geduld; nog een korte wijle en gij zult getuige zijn van de apotheose.

Amen

Hoort! Hoort! Hoort! Allen, die nedergeknield liggen in vrezend afwachten — allen, die biddend hopen; en allen die in ongeloof protesteren;

het LICHT IS WEDERGEKEERD en kleedt zich in de regenboog van de hoop en trekt glinsterende veren over een aarde die gekromd gaat door pijnen —

Hoort! Hoort! Hoort! Weest niet bevreesd voor een einde — weest niet beangst voor de tegenstanden — beluister de lichtlozen niet;

HET LICHT IS WEERGEKEERD en het zegeviert over alles wat duister is en het zal de zwakken bemoedigen en de ongelovigen het geloof wederschenken — en alles wat groeien kan zal groeien en alles wat lachen ka zal lachen en de zekerheid zal zijn als een sponde waarin hart en ziel hun genezing kunnen vieren gesterkt door de medicijn van de Diepe Vrede die het zaad des Levens zal doe ontkiemen.

En wie "God" zegt, zal zich DE Vader herinneren — en wie "Licht" zegt, zal zich het wonder herinneren — en wie "Chrêstos" zegt zal het gevoel hebben of hij geroepen wordt tot een universeel verlichtende taak;

Niemand kan nu nog rouwen — niemand kan lusteloos terneder zitten — niemand kan onverstoorbaar de dagelijkse dingen doen —

want: HET LICHT IS WEERGEKEERD!

en zij die een stem hebben zullen het doorvertellen en zij die een ziel hebben zullen naar dat Licht toegroeien en zij die een hart hebben zullen Licht uitdelen —

want hij die uit Licht is, laat hij Licht ZIJN.

En het Licht zal op aarde wandelen — door u, mijn hart — door u, mijn ziel — door u, mijn tong en mijn handen —

Ja waarlijk, Vader van mijn ziel, alles in mij zal van U getuigen.

Amen

Epiloog

Toen ik heenging van de sternen beweenden mij de hemellichten en de hemelboog bood mij aan lij terug te brengen tot het Licht der Lichten als mijn ziel genoeg ervaringen had verzameld en mijn hart zijn laatste tranen gestort had op de hemelsteen, die ligt aan de voet van de levensboom in het Paradijs der dwalenden.
En als ik opzie naar het uitspansel waar planeten en sterren, wolken en winden over mij fluisteren berouw ik de impuls die mij deed afdalen in de chaos — waar al de mijnen tevergeefs ronddolen, op zoek naar hun verloren Licht.

Daarom, indien Gij, Vader, uw Belofte en uw Genade optekent in mijn hart — en mij ziel troost — zal ik kracht vinden om Uw reinigende adem te laten spelen in mijn wezen waar het verleden, het heden en de toekomst dansen op de melodie van mijn vergeten herinnering.

Als dan de nacht der nachten komt, mijn Vader, zal ik knielen en luisteren — bidden en hopen — en ik zal opnieuw weten hoezeer wij één zijn — U en ik — en ik zal mijn Terugreis voorbereiden want waarlijk, de hemellichten hadden gelijk toen zij tranen stortten om mijn afdaling in de chaos.

Wees gerust, licht van mijn Licht — wees gerust, alle krachten in mij — IK KEER WEDER NAAR HET LICHT DER LICHTEN!

VREDE, VREDE, VREDE, hij, die wederkeert is op weg!




1970 - 2015, copyright Henk en Mia Leene