... die gij nooit begaan kunt, zo de Gezalfde niet met u is.

U hebt hem zien komen van over de Jordaan — als een vriend, iemand die zo lang reeds door u gekend werd en toch zo verre bleef in de uren der dagelijkse op- en neergang!

Hij hield de zeven sterren in de rechterhand en was gelijk een Zon, lichtend — leven schenkend — en het water der Jordaan werd door hem doorlicht en zijn lied der wateren werd tot een water-vuur gebed.

Als Hij in u is, zullen de beproevingen komen — want na de kerstnacht wordt het leven werkelijkheid — de uiterlijke vormen zullen wegglijden in het verleden — de innerlijke werkingen zullen bekend worden als een openbaring — soms als een vreugde —soms als een pijniging.

En u zult geplaatst worden voor de zeven beproevingen waardoor de acht zaligsprekingen geboren zullen worden!

ledere beproeving zal zijn als een brief, geschreven met hartebloed — gekerfd in herinnering en bewustzijn —

totdat zij als en stralende triomfboog verenigd zullen worden in het Teken des Verbonds dat boven ons hoofd zal stralen.

Dat zal de hereniging zijn met den Vader — waardoor het gebed der hereniging gesproken zal kunnen worden:

Vader, al het uwe is het mijne en al het mijne is het uwe — verheerlijk gij mij met de heerlijkheid die ik bij U had éér de wereld was.

De natuur — in u — zal zich ootmoedig buigen en de zon van uw ego zal stille staan — en de Kroon des Levens zal u gereikt worden.

Weest welkom! De ure is gekomen waarin onze ogen zulle wennen van een stille smart — dààr gij ziende geworden zijt.

Zo zal Ik u eewiglijk voor mij Aangezicht plaatsen en Ik zal mij niet meer vàn U wenden, maar gij zult ziende worden gelijk gij zaagt éér dat de wereld was!

Zo gij mensenleed ziet, zult gij lenigen moeten — zo gij onwetendheid bespeurt, beproef kennis te verspreiden — zo gij hardheid vermoedt, tracht de zachtmoedigheid over te dragen—

want zo gij eeuwig voor Mijn Aangezicht wandelen wilt, zult gij de werken der eeuwigheid moeten verrichten, opdat gij getuigenis zult geven van hetgeen Ik u mede gaf op de reis door de dagen en nachten der tijdelijkheid.

De Gnosis heb ik U gegeven — als een wijsheid, als een inzicht, als een gave — verlies deze gave niet, noch werp haar als een waardeloos materiaal in de trog der zwijnen — maar stel haar in het Zonlicht des geestes, zodat haar kleuren gezien zullen worden door geheel de wereld —

Indien Gij, die Ik de Gnosis gegeven heb, Deze niet overreikt aan uw broederen, die van Uw Ras zijn, wie zal Haar dan schenken? Is deze, mijn Gnosis, niet méér dan rijkdom, is Zij niet wonderbaarlijker dan alle kennis?

Zo de Gezalfde in u is, betreedt mèt hem de Hof der Olijven en verzink in het gebed, vòòrdat de beslissende schrede in het vuur der Omzetting gezet zal worden —

Want zo gìj deze schrede NIET zet, wie dan?!?

1970 - 2015, copyright Henk en Mia Leene