Uit deze vier zoekerstypen, die te vergelijken zijn met de vier waarheden, met de vier elementen en overeenstemmen met de vier vragen, komen duidelijk de vier driehoeken te voorschijn, die men in de astrologie kent.

De watertypen hunkeren naar de Liefde, de Kreeft, de Schorpioen, de Vis. 

Liefde kan zich op velerlei wijzen uitdrukken, maar zij heeft altijd te maken met warmte, koestering, bescherming, mededogen en vergeving. Liefde is altijd een balsemende genade, in ieder geval de Liefde zoals de mens deze wenst te zien.

Zij, die naar een vorm van Liefde hunkeren, hebben geen behoefte aan de zweep, maar zij zoeken een bemoedigende hand.

De vier Goddelijke gaven legt ieder mens naar zijn eigen bewustzijn uit en ook in overeenstemming met zijn verlangen.

De Liefde-hunkerende verdraagt de zweep niet, dat wil zeggen: hij wil deze niet verdragen en gevoelt zich erdoor verlamd. Omdat hij naar Liefde hunkert, dreigt hij zich over te geven aan zwakheden, vandaar dat de Bogomiel zegt: « De Liefde vergeeft de zwakheid ».

De Liefde heelt alle wonden en dat is voor de zwakke, aarzelende en soms willoze mens een heerlijke zekerheid, maar deze zoeker vergeet dat God alles in allen is, zowel Liefde als Waarheid, Rechtvaardigheid als Wijsheid.

Daarom ziet men op deze wereld zoveel onvolkomenheden, men benadert een deel van God, waardoor het goddelijke onvolkomen en dus half en onbevredigend blijft. Ziet men niet dikwijls dat de liefdevolle mens de waarheid schuwt, uit zwakheid en uit angst?

De Liefde wondt niet, de Waarheid kan wonden, zo zegt men, maar men vergeet dat zij, die de Waarheid liefhebben, deze Waarheid eveneens kunnen verdragen en door de wonden tot voortgang worden gedwongen.

Hieruit kan men weer bemerken hoe de vier elementen in disharmonie met elkaar leven, want de vier zoekerstypen begrijpen elkaar niet. Zij, die de Waarheid zoeken zijn de vuurtypen: de Ram, de Leeuw, de Boogschutter. Zij zijn onvermurwbaar, een doorn in het oog van de naar liefde hunkerenden, want zij menen dat deze mensen de liefde ontbreekt, hetgeen dikwijls het geval is. Doch de naar liefde-hunkerende neemt het niet zo nauw met de Waarheid. Zij hinken allen op één been en verwijten dit elkander. Zouden zij harmonisch samen kunnen gaan, dan werd de volmaakte tekening zichtbaar.

De naar de Waarheid strevende mens is zo meedogenloos, zo gestreng bezig om zijn doel te bereiken, dat hij vergeet met anderen rekening te houden, vergeet tolerant te zijn en zo wordt hij vaak onsympathiek, hoewel hij het hoogste nastreeft. Hij is meestal moeilijk te bereiken voor anderen, voor een woord, een gebaar, omdat hij gestreng is, strikt, eenlijnig, soms slechts zwart-wit denkende. Ook dit zoekerstype herkent men in de wereld.

De naar Rechtvaardigheid zoekende mens is meestal de moraalprediker. Hij zoekt een horizontaal gericht evenwicht, omdat hij vindt, dat er een basis moet zijn om zich op af te zetten.

De zoekerstypen van de eerlijkheid en oprechtheid zijn: de Stier, de Maagd, de Steenbok.

Deze mens vindt dat een consequente levenshouding de enige mogelijkheid is om het geestelijke te realiseren. 

Deze consequentie trekt hij door tot in de allerhoogste realisatie. Ook hij kent geen tolerantie en geen soepelheid: recht is recht, God bevindt zich aan het einde van de smalle weg en dus moet die weg worden bewandeld. 

Hij heeft gelijk, zoals zijn medezoekers in de overige doel-stellingen gelijk hebben: maar ook hij is onvolledig.

God is Rechtvaardig, maar tevens Liefde en Waarheid en Wijsheid. De naar Waarheid zoekende mens ontmoet deze zoeker in zijn consequente strijden en streven. Maar zij verschillen in hun gerichtheid: de zoeker naar Waarheid is heel dikwijls innerlijk gericht en vergeet de uiterlijke consequenties.

De zoeker naar Rechtvaardigheid is meestal uiterlijk verwerkelijkend en vergeet een innerlijke gerichtheid. Zij hebben ontmoetingspunten, hoewel zij tegengesteld handelen.

De zoeker naar Liefde staat vaak vol onbegrip tegenover hen beiden, omdat hun consequente gestrengheid, hoewel onderling verschillend, hem tegenstaat. De naar Liefde hunkerende zoeker bouwt juist op de tolerantie van de Liefde, terwijl de Rechtvaardigheid en de Waarheid geen tolerantie insluiten.

Dan zijn er nog de naar Wijsheid zoekende mensen, zij die nimmer de bodem van de Kennis bereiken, omdat zij te ongedurig en te onrustig zijn.

Zij behoren tot de luchttypen: de Tweeling, de Weegschaal, de Waterman.

Zij zoeken onophoudelijk naar dat vage, onbestemde iets, dat hen de grote verlossing, de volmaaktheid Gods zou kunnen overdragen en zij vinden het nooit, omdat zij, evenals de drie andere zoekerstypen, onvolledig blijven. Zodra zij zich in een filosofie, een aanzicht verdiepen, menen zij dat ergens anders, uit een andere bron, wellicht nog meer Wijsheid te putten valt.

Maar zij dringen niet, onvermoeid, zoals de Waarheid- en de Rechtvaardigheidszoeker verder door, consequent één richting houdende. 

In de ontwikkeling van deze zoekerstypen en hun gerichtheid herkent men ook de stadia, aan de hand van de zodiakale typen.

Het naar Wijsheid zoeken blijft een beweging, een voortdurende peiling, want de goddelijke Wijsheid is onpeilbaar en dus vindt deze zoeker de grond nooit. Uit zijn zoekersdrift kan hij telkens nieuwe inzichten putten, hij is beladen met kennis, maar hij vindt de basis niet.

De vier zodiakale typen, die echter de elementen openen: Ram, Stier, Tweeling en Kreeft zijn ook jong, in de eerste impuls staande van hun zoekersverlangen.

De Ram zoekt naar de Waarheid als een lentebries: haastig, direct verwerkelijkend, anders taant zijn streven.

De Stier zoekt naar de Rechtvaardigheid in een jeugdige onbezonnenheid: hij stormt erop af en krijgt hij zijn zin niet, dan faalt hij.

De Tweeling zoekt naar Wijsheid als een kind: oppervlakkig, even eraan tippende, waarna het denken reeds weer naar andere interessen afdwaalt.

De Kreeft zoekt de Liefde als een aarzelende: hij komt niet op gang, weet nog niet wat Liefde is, waar hij deze moet zoeken en wacht dikwijls te lang in zijn beschermde hol.

De Leeuw zoekt de Waarheid als iemand, die vanaf zijn troon zijn land overziet, hij wijkt niet, maar hij zoekt perfectie, buiten zichzelf. Hij is stabieler dan de Ram, maar wacht af tot de Waarheid tot hem komt.

De Maagd zoekt de Rechtvaardigheid als een geremde zoeker, één die zich pansert tegen de onrechtvaardigheid en hij zoekt zonder zichzelf aan de onrechtvaardigheid over te geven.

De Weegschaal zoekt de Wijsheid als een bespiegeling, een toevlucht, waarin hij zijn eigen onrust kan vergeten. Hij is noch oppervlakkig, noch consequent.

De Schorpioen zoekt de Liefde als een warmte, een omstraling, meestal een adoratie van zichzelf. Hij zoekt een warmte, die hem bemoedigt, omdat hemzelf de moed zo dikwijls ontbreekt.

De Boogschutter zoekt de Waarheid als iemand, die naar het onbereikbare zoekt. Hij streeft zijn doel zo dikwijls voorbij, omdat hij het enthousiaste begin van de Ram mist en de overzichtelijkheid van de Leeuw.

De Steenbok zoekt naar de Rechtvaardigheid door zich te verliezen in de horizontale perfectie. Hij kent niet de spontane inzet van de Stier, noch de edele afgeslotenheid van de Maagd.

De Waterman zoekt naar de Wijsheid door, zoals de Leeuw bij de Waarheid, zich onbeweeglijk te houden. Hij neemt op, maar geeft niet meer af.

De Vis zoekt naar de Liefde door zich, in een laatste hunkering, dikwijls over te geven aan de warmte, de liefde, de koestering, die door de omstandigheden in zijn omgeving komen.

1970 - 2018, copyright Henk en Mia Leene