8 - De vier waarheden en hun twaalf aangezichten

Wie eenmaal een blik geslagen heeft in de sfeer van het Eeuwige, die zal nimmer de herinnering aan die heerlijke ervaring verliezen.

Daarom blijft hij de Eeuwige trouw.


Voorbereiding

Kom tot rust in de harmonie van het Goddelijke Zijn en geef u over aan de Alkracht.

Gebed

In Uw Sfeer binnengaande, O Almachtige vallen alle belemmeringen weg en de onrust van mijn ziel vlucht heen om zich te verbergen in de bron van haar dualistische bestaan.

Vanuit de gevangenis van mijn denken zoek ik de Poort van Uw Vrijheid waar de boeien der onbaatzuchtige Liefde zich als een zegen om mijn handen sluiten.

Leer mij verstaan, Heer der Onbegrensde Hemelen dat mensen niet vermogen Uw Vrijheid te onderkennen voordat zij het Beeld Uwer Majesteit in hun zielen mededragen.

Op het Pad van Uw geestelijke werkzaamheid léér mij behouden hetgeen van U is, opdat het Brood des Levens onophoudelijk aanwezig zij!

Amen

De Boeddha zegt:

Zolang mijn kennis en mijn innerlijke inzicht met betrekking tot de drie verdelingen van de Vier Waarheden en hun Twaalf Aanzichten, niet gereinigd is tot de Vier Edele Waarheden, heb ik de top van de hoogste Verlichting nog niet bereikt, zo heb ik onderkend.

De Vier Waarheden moeten worden gezuiverd tot de Vier Edele Waarheden, dit is een vorm van transfiguratie.

De vier elementen, aarde, water, lucht en vuur in de mens, moeten worden omgezet tot de vier heilige spijzen. De activiteit tot die omzetting verleent de ether, of het vijfde element.

Eigenlijk is de gehele leer in deze enkele zinnen uiteengezet. 

De moeilijkheid is nu echter om de grandioze diepte van deze eenvoudige waarheid te verwerkelijken. Het doel van deze leringen is de methode van verwerkelijking vlak voor de  kandidaat te plaatsen.

De twaalf aanzichten van de schijnwaarheid, die op aarde heerst, staat natuurlijk direct in verbinding met de zeven hoofdzonden, die deze schijnwaarheid inspireren. Het overwinnen van de twaalf aanzichten zou de mens geen moeite kosten, wanneer hij afstand genomen had van de zeven hoofdzonden.

Iedere hoofdzonde staat in verbinding met enkele aanzichten van de schijnwaarheid, die in werkelijkheid een leugen is.

De hoofdzonde, die de kandidaat regeert, vertakt zich in twaalf ondergeschikte zonden, die men kan zien als de trawanten van de zeven duivelen.

Op deze wijze benadert men eveneens het Gnostieke Evangelie van de Pistis Sophia. In het Boeddhisme ziet men twee aanzichten als de fundamentele pilaren, waarop de levensweg wordt gebaseerd, nl. de Ram en de Schorpioen, het leven en de dood.

In de schijnwaarheid regeert de Mars-drift de Ram, terwijl de ongebreidelde Mars-begeerte de dood brengt.

In het Scheikundig Huwelijk moest Christian Rosencreutz zijn keuze maken op de zevende dag, in het achtste uur. Voordat de mens de Poort des Doods of de Poort van het Endura binnengaat, moet hij tot een besluit gekomen zijn, zo niet, dan sterft hij waarlijk de zieledood. Daarom moeten de eerste zeven aanzichten van de schijnwaarheid omgezet zijn in de lichtende aanzichten van een Edele Waarheid.

Ieder pelgrim behoort dit in zichzelf te bewerkstelligen.

Hij moet allereerst de onwetendheid overwinnen, een onwetendheid, die door de aard van het Ramteken tot een veronderstelde waarheid leidt. Door innerlijke onwetendheid, onzekerheid, leeft men in veronderstellingen, die de werkelijkheid niet benaderen.

De pelgrim bouwt een schijnwereld op, waarin hij zijn denken en gevoelens verbergt en van waaruit hij gaat leven. Wanneer de mens deze arrogante levensinstelling niet loslaat, is er geen sprake van een juist begin om de vier edele waarheden te ontmoeten.

Zodra deze eigen-wijsheid de pelgrim verlaat, komt hij in het stadium van openheid, van vereniging. In de schijnwaarheid uit zich dit door openheid voor verenigingsleven, het zoeken van gezelschap en het zich onderwerpen aan autoriteiten. De nog aanwezige onwetendheid en veronderstelde waarheid schenken de mens geen onderscheidingsvermogen, maar kapselen hem in in het gezelschapsleven. Venus is hierbij werkzaam en activeert tot gemakzucht, het opgaan in de massa.

Er is geen groter zonde dan de zonde der onwetendheid en dat geldt vooral voor de Zoon des Lichts, die het weten in zich omdraagt, maar door één van de zeven hoofdzonden en hun trawanten wordt tegengehouden om dit weten op te graven.

Men kan dit alles bij zichzelf nagaan.

Levende temidden van de veronderstelde beelden (een levenshouding die vrijwel alle mensen navolgen) is de Lichtzoon of te driftig, agressief of te lui of vergiftigd door jaloerse heerszucht, of genotzuchtig of beangst voor zijn bezit of te begerig naar andere dingen, om enige aandacht te besteden aan een ziele-hunkering.

Wij spreken hier niet over de onwetendheid van de natuurgeboren mens, die slechts de natuurlijke bewogenheden kent, maar wij spreken altijd over de Lichtzoon, hij die weet, maar niet luisteren wil! Voor hem is de zodiakale ban een belemmering en niet voor de natuurlijke mens, die geen grensdoorbraak zoekt.

Wanneer men zoekende is en het ernstig meent met een spiritueel Pad, heeft men hinder van zijn belemmerende aspecten. Men gevoelt zich ziek door foutieve reacties en men schaamt zich voor zichzelf, voor misstappen, die men eigenlijk had kunnen voorkomen.

Zo leeft de spiritueel gerichte mens veel consequenter dan de materieel gerichte mens, op alle gebied bemerkt hij zijn fijnere geaardheid, zonder echter ziek of abnormaal te zijn.

Hij kan zich slechts niet datgene veroorloven, dat de grove materiële mens zich veroorlooft. En dat geldt zowel voor zijn voeding, zijn leefklimaat, als zijn levenshouding.

Wanneer een spiritueel mens zich innerlijk aan de mentaliteit van deze maatschappij gaat onttrekken, is het toch vanzelfsprekend dat zijn lichaam die innerlijke neiging volgen gaat. Wanneer hij zich opent voor het Licht, na zijn intuïtieve weten te hebben wakker geschud, volgen zijn denken en zijn lichaam zijn nieuwe levenshouding.

Dit is dan het derde aanzicht van de waarheid, die zich als schijn of als Edele Waarheid kan openbaren. Op de openheid van het tweede aanzicht volgt de volgzame mentaliteit en de lichamelijke consequentie. Niemand ontkomt aan de invloed van de openheid des harten, onverschillig voor welke interesse. Werpt men zijn hart op een doel, dan volgt het denken die richting, terwijl het lichaam, de stoffelijke mens, automatisch de weg bewandelt, die hart en denken aanwijzen. Dat is duidelijk!

Tussen de tweede en derde beweging is geen scheiding mogelijk. Openheid vraagt medestand van denken en lichaam.

De openheid van het hart van de kandidaat beïnvloedt zijn denken en tegelijkertijd zijn lichamelijke levenshouding. Openstaande voor de gevaren van de milieuvervuiling, luistert men naar de berichten met een open hart, trekt men daaruit zijn conclusies en men gaat een bepaalde levensnorm volgen.

Indien men luistert en niet reageert in denken en met het lichaam, was er geen openheid en daar waar geen openheid is, is er onwetendheid, afsluiting, de veronderstelling b.v.: « dat het wel zal loslopen » en de mens bouwt zich een eigen beeld op van de werkelijkheid, zoals hij die wil zien!

Zo bemerkt men dat de zeven hoofdzonden en hun twaalf trawanten onafscheidelijk met elkaar verbonden zijn! 

Ieder type bestaat nooit uit een der twaalf aanzichten alleen, hij zal slechts met één der aanzichten de meeste moeite hebben. Wanneer het denken en het lichaam het hart volgen, ondergaan de zintuigen daarvan een invloed. De ogen van de kandidaat nemen anders waar, zijn smaak verandert in alle opzichten, zijn gevoeligheid voor indrukken en omstandigheden neemt toe, verfijnt zich, zijn ademhaling en zijn reuk worden intensiever en gevoeliger voor onreinheid, zijn gehoor verscherpt zich, in die zin dat men verfijnder nuancen waarneemt en zijn keel niet meer in staat is zinloze klanken te vormen en verbrekende woorden te produceren. Ook dit kan men bij zichzelf nagaan. Er zijn dingen die hij vroeger accepteren of verdragen kon, maar die hem nu benauwen of pijnlijk aandoen.

Hij liep vroeger lichter over de gebeurtenissen heen, zij raakten hem niet zo hevig, nu kunnen gebeurtenissen hem met smart vervullen. Hij gevoelt de onwetendheid van zijn medemensen sterker aan en dit bezeert hem innerlijk. Zoals een demonstratie van een der hoofdzonden hem kan benauwen.

Het is allemaal niet meer vanzelfsprekend en als zijnde een aanzicht van deze wereld, maar de mens ziet dit alles als een obstakel, een pijniging, die er niet zou behoeven te zijn. 

En daarom gaat hij moeite krijgen met de volgende innerlijke neiging: hij zou zich liever afzonderen, hoewel hij weet, dat hij in contact met zijn medemensen moet blijven, niettegenstaande de pijnlijke ervaringen.

Dit is de inwerking van de trawant Maagd of Virgo.

Een zelfoverwinning, komende uit de directe verbintenis met de zuivere Lichtkracht, is nu een eerste vereiste.

Boeddha zegt: « dit is het aanzicht van het contact ». Er moet een nieuw contact worden gelegd tussen de pelgrim en zijn omgeving. In de fase van de schijnwaarheid sluit de mens zich op, hij is afwijzend, in zichzelf besloten, zich verheffende op de vermeende bezittingen, voortkomende uit het valse begin van de veronderstelde waarheid.

Hier sluit hij zich in die veronderstelde waarheid op, omdat hij niet wil dat het anders is, uit angst zijn innerlijke gewaarwording te verliezen. Uitgaande van het juiste begin staat deze mens echter in de fase van de gereedkoming, waarna de overgave moet volgen. Waartoe zou hij anders gereed gemaakt zijn?

Hij begon met Inzicht, toen kwam de Openheid des Harten, daarna het volgen van denken en lichaam, hierna veranderen de zintuigen. Er is dus sprake van een volkomen toebereiding en nu moet het contact worden gelegd.

Is dit niet in overeenstemming met het beeld van de Maagd?

Wanneer deze Maagd gereed is, gaat zij zich samenvoegen met het beeld van haar keuze, zoals de Weegschaal aanduidt.

De pelgrim volgt de beeltenis die hij via zijn voltooide voertuig uitverkoren heeft. In de schijnwaarheid volgt de pelgrim ieder willekeurig beeld dat zijn pad kruist, in een doorlopend op en neer bewegen van de schalen van zijn weegschaal.

Als dan deze pelgrim zijn uitverkorene volgt, zoals een Maagd doet en hij zich overgeeft aan zijn begeestering, dan volgt het resultaat binnen het aanzicht van de Schorpioen: de dood of het leven, het risico van dit achtste aanzicht. Gelijk zo dikwijls in het gewone leven een gevoelsverbintenis enorme risico's met zich medebrengt, die kan beslissen over de verdere levensgang.

Binnen dit achtste aanzicht van de schijnwaarheid gebaseerd op onwetendheid, stort de pelgrim zich in de begeerte, het driftig in bezit nemen van wat hij verkregen heeft. En dat doet hij totdat de dood, de zieledood, of de morele dood, of welke vorm van sterven ook, er op volgt.  Hij pleegt een soort van zelfmoord, zoals de schorpioen vecht tot de dood er op volgt.

Ook voor de getransfigureerde Schorpioen, in de alchemie bekend als de Adelaar, is zijn oude wereld dood: hij laat alles achter zich om zich naar de hemelen te verheffen. Hij vliegt door de poort van de zevenheid heen naar de luchten, die hij heeft gekend en weer wil ontmoeten.

Altijd treft men in de literatuur wederom die scherpe scheidingslijn, die zich voltrekt in het teken of de kruisweg van de acht. De driftige bezetenheid, die begeerte tot bezit, spiritueel, materieel, jaagt de mens over iedere begrenzing heen en hij acht daarop niet.

Daarom zegt Boeddha: « wanneer ik de twaalf aanzichten niet heb gereinigd in Vier Edele Waarheden, heb ik de volkomen Verlichting niet bereikt! »

De uitzinnige drift tot bereiken, tot bezit, tot het bezitten van spiritualiteit, moet sterven en overgaan in geleidelijkheid. Het voertuig moet allereerst gereed zijn, voordat de adelaar zich kan verheffen. En dat wil altijd zeggen: de voornoemde facetten van de Edele Waarheid moeten in het bezit zijn van de pelgrim, zo hij deze Poort tot de Hemelen wil doorgaan.

Door de intense hunkering van de Schorpioen om zijn verandering tot Adelaar te voltrekken, verheft de pelgrim zich tot de hemelen of stort neder in de hellekolken, omdat zijn vleugels niet gereed waren. Dan ziet men hoe deze mislukte adelaar spreekt over de verten, die hij ziet. Hij kan niet anders dan erover spreken, hij kan zich niet verheffen, maar de hunkering naar die verandering woelt in hem als een onrust, een smart, een intense begeerte, die niet te vergelijken is met enige lichamelijke hartstocht.

Het is een spirituele hartstocht, die hem doet spreken over zijn verre hemelen, die hij gekend heeft en die hij weer wil zien.

Dat is de Boogschutter, gefundeerd in de aarde, vastgeklonken aan de aarde, zijn mentale pijlen richtende op de verten.

Hij, wiens begin niet juist is, die onwetend gebleven is, lijdt onder deze instelling, want zijn begeerte drijft hem voort naar de hemelen en hij vermag er slechts over te spreken.

De verandering van Schorpioen - Adelaar heeft niet plaats gevonden en de mentale gespletenheid wordt dikwijls een obsessie. En dan wenst de Steenbok gefundeerd te worden in die nieuwe werkelijkheid van de Adelaar, hij wil nu zekerheid hebben, zijn werkelijkheid vast kunnen grijpen en daarom durft de nog niet wedergeboren mens zijn oude zekerheid niet los te laten. Hij kent de sterkte van zijn vleugelen niet, twijfelt aan het bezit van zijn vleugels.

Slechts de getransfigureerde, de Adelaar der Hemelen kent zijn bezit en grondvest zich daarin, om volkomen wedergeboren te worden als een wezen des Hemels, een Hemelse mens, zoals de uitdrukking luidt.

Zoals in deze Boeddhistische astrosofie, zo spreekt men ook in het Evangelie van de Pistis Sophia niet meer over de mogelijkheden na de achtste fase. De mens is of volkomen onthecht aan de aarde, of teruggevallen in de oude bedeling, de oude wetten, gelijk Saturnus hier, in de Waterman-fase, de macht overneemt van Uranus.

Heeft men zeven obstakels overwonnen dan volgen, als een vanzelfsprekend proces, de fasen der innerlijke verandering en der wedergeboorte, het aanpassingsproces aan de Goddelijke Hemelen. 

Slechts de onjuist begonnen mens kent de hoogmoed van de saturnale elfde fase, waarin deze pelgrim meent het Licht reeds te bezitten en zich dus koestert in het zelfgesponnen aureool, dat hij pronkend zijn medemensen toont. En tenslotte vindt men in de twaalfde fase de rijpheid en de wijsheid, het voltooide stadium in de nieuwe Hemel-Aarde en zo niet, dan is dit obstakel slechts vol van zelfmedelijden, het vol teleurstelling neerzitten, het zich laten wegzinken in tranen en wanhoop.

Het is de reactie op het volgen van de hoofdzonden en zijn trawanten: mislukking in het zozeer begeerde doel.

Slechts een onjuist begin kan zulk een einde brengen.

Welslagen brengt overdenken in wijsheid.

De pelgrim kan al deze twaalf werkingen in zichzelf herkennen en soms heeft hij oponthoud door de ene en dan weer door de andere werking, maar deze worden altijd geïnspireerd door de hoofdzonde, die contact zoekt met de trawanten, die zijn specifieke aard willen dienen.

Inzicht is de open poort, zoals men weet, maar eerlijkheid tegenover zichzelf leidt tot inzicht!


1970 - 2015, copyright Henk en Mia Leene