5 - De vier waarheden

Laat uw ziel harmonisch arbeiden met de wijsheid, gelijk uw ademhaling met de lucht.



Voorbereiding

Ontspan u — plaats uzelf in het Tao van het absolute niets, in denken en in gevoelen:

Gebed

O Licht, mij neer te laten zinken in de bronnen Uwer Wijsheid is slechts de hunkering mijns harten;

ik laat mij mede-bewegen met de ingaande stromen Uwer Tao — waarbinnen de onrust mijner gedachten de stilte vindt, waarin de eeuwigdurende beweging mijn denken voert tot de poort der bevrijding —

Om mij heen is er niets dan het leven-schenkende trillen van Uw aanwezigheid, O Kernkracht, en de begrenzing van mijn ego wordt verbroken door de alomtegenwoordigheid van het Universele Ego van den Absoute.

In deze oceaan van Wijsheid badende vindt mijn hart de oorsprong va zijn levensklop — en  mijn denken kent eindelijk de onbegrensheid van het verglijden in het grote Denken des Als.

Hoe klein is mijn begrip, Licht des Levens! Hoe begrensd is mijn kunnen, mijn willen. Grif daarom — in dit ogenblik van alomvattend erkennen — uw grootsheid in mijn bloed — opdat de herinnering van uw Tegenwoordigheid — in mij levens blijve, O Vader-Moede der Levenden!

En voer mij tot de bron der Gnosis, die Gij in mij verborgen hebt.

Amen

Versterk hierdoor het ritme van het Volkomen Leven. Belevendig de diepten van deze woorden binnen de innerlijke stilte — lees daarna bijgaande astrosphische tekst.

Betracht een ogenblik stilte na lezing en wissel — indien u met meerderen bent — zo nodig van gedachten.

Zoek in de Stilte uw Kracht — niet in uw woorden.

Men zal begrepen hebben, dat het Ge-weten en de intuïtie onontbeerlijke gaven zijn op een Pad van verlossende verwerkelijking.

Indien de mens dit weet, heeft hij niets anders te doen dan de consequenties te aanvaarden en door een dagelijkse innerlijke stilte te trachten deze beide gaven in zichzelf op te delven, waarna hij in het dagelijkse leven hun raad zal opvolgen en dus zijn levenshouding daarnaar bepaalt.

intuïtie en Geweten zal de mens het smalle pad opvoeren, dat uit de zodiakale ban leidt.

Zodra men voet op dit Pad heeft gezet, ontmoet men de Groten der wereldboodschappers, want de Boeddha zegt bijvoorbeeld: « De vier waarheden schenken de mogelijkheid uit te breken uit de zodiakale gevangenis » en « de vervluchtiging van de zodiakale kentekenen brengt de kandidaat de overwinning ».

In de verwerkelijkende astrosofie staat de mens dus niet alleen, hetgeen hem tot troost kan zijn!

Indien de kandidaat iedere dag arbeidt aan de vervluchtiging van zijn zodiakale zelf door middel van een innerlijke stilte en bezinning en door realisatie van het pad van geweten en intuïtie, zal hij tot de overwinning komen!

De vier waarheden hangen nauw samen met de vier elementen der natuur, die in de kandidaat verborgen zijn en waarop hij reageert.

Deze vier waarheden doorschouwen via het innerlijke oog en via de innerlijke kennis, m.a.w. via Intuïtie en Geweten, is de top van de berg bereiken. Zo spreekt de Boeddha.

Het achtvoudige Pad, zoals wij dat de kandidaat willen voor-houden, is het belijden van de dubbele polarisatie der vier waarheden in hun hoogste aanzicht.

Door hen te belijden worden zij teruggebracht tot hun oorspronkelijke Zijn.

De waarheid van het vuur is gelijk aan de kracht van de wil, die achter het geweten drijft. De overgave van de wil is het overdragen van de gave van het geweten aan een vuurprincipe dat veel hoger ligt dan de oude wil. Zodra de mens hiertoe in staat is, wordt de stem van zijn geweten niet slechts een stem der morele verwerkelijking, maar vooral van de spirituele realisatie.

Als de Boeddha zegt: « De mens moet het zodiakale juk afwerpen », dan bedoelt hij daarmede, dat hij door het terugkeren tot de innerlijke bewustzijnstoestand van de ziel, de doorgang door de ring van Saturnus kan bewerken. De vier waarheden, gelijk de vier elementen, vormen tezamen de basis waarop de mens zich afzet.

Een hoge moraal is vanzelfsprekend bij iedere kandidaat.

Het is de eerste, zeer lichte aanraking van de waarheid van het vuur, gekenmerkt door het vuur en het teken van de Ram.

Op zichzelf brengt deze aanraking echter nog geen resultaat. Het is slechts in harmonie met de andere drie waarheden dat de overwinning bereikt kan worden.

Vele kandidaten blijven echter steken in de belijdenis van deze eerste waarheid op het horizontale vlak. Zij strijden dan voor recht en eerlijkheid in de wereld en zo worden zij vechters met het zwaard in de hand, omdat zij de eerste waarheid nog niet doorschouwen met het innerlijk oog en door middel van de innerlijke kennis.

Daartoe is de individuele innerlijke stilte noodzakelijk, die door deze kandidaten wordt voorbijgezien in de loeiende brand van hun wil tot uitdragen van de eerste waarheid.

Wij zouden tot de kandidaat willen zeggen: voeg de bezinning van Boeddha aan het intellectuele omvatten van de waarheid toe. Het achtvoudige pad kent twee realisaties: die van de innerlijke stilte en die van de uitdragende werkelijkheid.

De onderste cirkel van de acht is de realisatie hier op aarde, de bovenste cirkel is de hemelse werkelijkheid van de innerlijke belevenis. Deze beide moeten aaneen gevoegd worden door de kandidaat, als middelpunt van dit proces.

De tweede waarheid is die van « het bewaren der zintuigen », en is gelijk aan het waterelement, dat zijn concentratie vindt in het zodiakale teken van de Kreeft.

Het is de stilte binnen de emoties, het kalmeren van de grote oceaan. Slechts door deze zintuiglijke stilte zal het de kandidaat gelukken in aanraking te komen met de diepte van de innerlijke bron.

De eerste en de tweede waarheid moeten met elkander in harmonie komen, wil deze stilte der zintuigen gelukken. Ook deze tweede waarheid probeert men kunstmatig te realiseren door de geforceerde stilte van de occulte meditatie.

Water en vuur zijn de elementen, die een verbreking kunnen brengen van het gouden koord, dat de mens met de Hoogten verbindt, terwijl zij in hun spirituele realisatie een binding met het Allerhoogste kunnen bewerkstelligen.

De hoge moraal, die noodzakelijkerwijs volgt op de lichte beroering van de eerste waarheid, is het begin van een pad, waarna de aanraking van de tweede waarheid de mens naar binnen voert, opdat de innerlijke bron der ziel zich zal openvouwen.

Iedere mislukking op een spirituele weg is gelegen in het verkeerd begrijpen van één van deze beide aanrakingen.

Het misverstand rond de eerste waarheid brengt het zwaard der gerechtigheid, dat wondt, doodt en verdeelt, inplaats van samenvoegt. Het misverstand rond de tweede waarheid brengt verstarring, de dood der beslotenheid, de harde, ijzige materie van bevroren water. Beide methoden zijn egocentrisch en volgen slechts het drijven van het aangeraakte ego, het ik.

Zulk een levenshouding is schijnbaar oprecht, maar diep verborgen is het het eigen ik, dat voldoening zoekt in de horizontale gewetensstrijd en de horizontale meditatie.

De vuurkracht van de strijd brengt voldoening voor de onrust van het niet-realiseren der spirituele opdracht en de bevroren waterkracht brengt de schijnbare stilte, waarin het ik bescherming vindt tegen de verwondingen in de levensstrijd.

Daarom zegt de Boeddha: « U moet de vier waarheden doorschouwen met het innerlijke oog en de innerlijke kennis, monniken! »

Op basis van geweten, het spirituele zielegeweten en de spirituele ziele-intuïtie, ontdekt de kandidaat pas de diepte van de vier waarheden.

Wanneer de eerste en de tweede waarheid waarlijk doorschouwd zijn, volgt de aanraking van de derde waarheid: het overwinnen, beheersen van het eigen zelf

Dit ligt besloten binnen het luchtelement, dat hier gekenmerkt wordt door het teken van de Weegschaal.

Zodra vuur en water elkander vinden brengt de derde waarheid, de lucht, het spirituele leven binnen de twee-eenheid van water en vuur. De overgave van de wil en de stilte van de uiterlijke zintuigen zijn in diepste wezen het zwijgen, of de terugtreding van het zelf.

De derde waarheid bestaat niet zonder de beide voorgaande waarheden. De horizontale beschouwing van de derde waarheid leidt tot exaltatie, tot waanzin! De luchttrillingen zwepen de kandidaat op tot onevenwichtigheid en hij gevoelt totaal geen grond onder zijn voeten.

De vierde waarheid brengt de zekerheid van de tevredenheid met hetgeen men bezit en hetgeen men is.

Dit kan, bij horizontale beschouwing, leiden tot zelfgenoegzaamheid, laksheid, luiheid en de ondoordringbare zelfautoritaire houding van het ik ben.

Het is de levenshouding van een saturnale Steenbok, Capricornus, een aardemens. Het is die onoplosbare verharding van de aarde, die rotsachtige verstening, waarbij noch water, noch vuur, noch lucht enige verlichting kunnen brengen, maar waarbij slechts de atomaire brand in kan grijpen.

Deze verharding is te vergelijken met de hoogmoedige saturnale toestand van de kandidaat in de tiende aeon van het Pistis Sophia-evangelie, waarbij hij zich vastklemt aan de rots van zijn verhevenheid, van zijn intellectuele kennis en weigert om over de afgrond van het Niet-Zijn te springen.

De Boeddha ziet deze situatie binnen de onbegrepen aan-schouwing van de vierde waarheid.

Wederom is hier die ongelooflijke machtige eenheid tussen de grote leringen: Pistis Sophia, Boeddha, Gnosticisme en tenslotte vindt men haar eveneens in de Acht Zaligsprekingen.

Maar alle komen op hetzelfde neer: allereerst de eerste schrede zetten door de overgave van dat brandende wilsvuur, waardoor het geweten misbruikt en verkracht wordt in de levensstrijd om de realisatie op het horizontale vlak.

Dit laat de mens altijd bitter achter, want er is op deze wijze geen realisatie mogelijk! Alle bouwwerken breken de kandidaat onder de handen af. Dit speciaal tot hen, die voor eer en geweten strijden in deze wereld van gewetenloosheid en eerloosheid. Men moet een andere basis zoeken, de basis van het innerlijke oog en de innerlijke kennis.

De vier waarheden worden door niemand begrepen en zij worden onafhankelijk van elkander door verschillende religieuze en morele groeperingen op een horizontale wijze uitgedragen, maar zij zijn één en zij moeten in de kandidaat tot een eenheid worden, wil hij slagen op zijn weg.

Men kan tot verwerkelijking van de eerste waarheid komen door, binnen de stilte, zijn wil te observeren. Laat alle aanzichten van het willen, en dat zijn de verwerkelijkings-ideeën van de mens, voor het geestesoog passeren.

Wat wil de kandidaat, welk materieel of spiritueel bouwwerk zou hij willen oprichten? Een moreel hoogstaande wereld, een ijle, abstracte realisatie, een profane, materiële werkelijkheid? Het vuur dat de mens bezit, waar drijft dit hem heen?

Ontdekt men dat, alleen met zichzelf, van aangezicht tot aangezicht met de diepste drijfveer achter zijn geweten, dan laat men dat vuur doven, vervluchtigen binnen de hoge gerichtheid van zijn concentratie, opdat het de mens niet innerlijk zal verwonden, of hem op de verkeerde weg zal leiden.

De kandidaat, die tegenover zijn innerlijke wilsvuur staat, zal moeite hebben om zijn daadkracht om te zetten. Hij moet het verschil onderkennen middels het innerlijke oog en de innerlijke kennis, tussen de spirituele daad en de materiële daad.

Het wilsvuur laten doven zonder inspanning van de wil, slechts door de stilte der harmonie, is de meest positieve daad die deze kandidaat zich kan wensen.

Zodra hij dit onderkent, slaagt hij!

Dan komt men bij de kandidaat aan wie de zware opgave van de eerste waarheid voorbijgaat, maar die direct aangesproken wordt door de tweede waarheid.

Hij moet beweging brengen in de ijzige oppervlakte van de wateren en daarom moet hij het vuur te hulp roepen. De stilte in zijn innerlijk is een valse stilte en moet verbroken worden door steeds opnieuw zichzelf te plaatsen voor de verborgen wilskracht, die hij niet onderkent. Hij moet de eerste waarheid in zichzelf wakker schudden! Zich afvragen of hij werkelijk iets realiseren wil? Of hij waarlijk genoeg moed bezit om de ijslaag te doorbreken en de consequenties van de blootlegging van de innerlijke wateren te aanvaarden, die misschien een leegte maskeren, een schijn-spiritualiteit.

In tegenstelling tot de vuurkandidaat, die naar binnen moet treden, moet deze kandidaat naar buiten treden. Dezelfde moeite die de eerste kandidaat heeft om naar binnen te treden, zal de tweede kandidaat hebben om naar buiten te treden.

Hij kan dit doen door, in zijn bezinning, zichzelf een spiegel voor te houden, waarin zijn gedachten zich weerkaatsen.

Het gaat er nu niet om zichzelf af te vragen: Wat wil ik?, maar: wil ik?   Zo ja, dan moet de innerlijke bevrorenheid gebroken worden en de voorheen kunstmatige innerlijke stilte, moet vervangen worden door een stilte, waarbinnen het zielevuur beweegt, maar waar tevens de doorzichtigheid van het klare water de reinheid der zinnen bewaart.

Dat is een andere vorm van stilte.

De Grote Stilte, waarbinnen het nieuwe element: water-vuur, het Goddelijke Licht op nieuwe wijze weerkaatst.

Zij, die de derde waarheid willen aangrijpen zonder dit water-vuur element te bezitten, zullen binnen de innerlijke stilte tot een onderzoek van de eigen werkelijkheid moeten komen.

Het gaat er nu niet om zichzelf af te vragen « wil ik? » of « wat wil ik? », want deze kandidaten willen wel! Zij willen alles!

Maar nu is voor hen de opgave om tot de eerste waarheid door te dringen, vanuit die alles omvattendheid van hun denken en gevoelen. Zij zullen vanuit die verre landen, waarheen zij doorlopend reizen in denken, in gevoelen, terug moeten keren tot één vast punt.

Hun wilskracht moet zichzelf bundelen, hun zintuigen moeten zichzelf tot de eigen werkelijkheid terugbrengen, alles binnen die bezinningsstilte. Zij moeten allereerst de rust van het zijn zoeken.

Dit zij dat zich vestigen moet in het water-vuur element.

Daarom moet deze kandidaat zich binnen zijn bezinning richten op het: « Wie ben ik? Waar is mijn ik? »     

Dat in de allereerste plaats.

Want men moet zichzelf vinden om zichzelf te kunnen verliezen en deze kandidaten van de horizontale derde waarheid, kennen zichzelf niet, bezitten geen vast wezen om het te kunnen overwinnen. Zij glijden tussen hun eigen vingers door, als lucht. Zij moeten dus de rust van het stil brandende vuur zoeken en niet spreken over 'overgave', terwijl zij niet eens weten, doorschouwen, wat zij moeten overgeven.

Voor hen is de vraag: "Wie ben ik?"

Is daarop het antwoord gevonden, dan volgen: « Wat wil ik? » en daarna « Wil ik? »

Zodra echter deze kandidaat antwoord op de eerste vraag gevonden heeft, volgt het antwoord op de beide andere vragen snel en vol overgave.

De kandidaat van de horizontale vierde waarheid, zal binnen de bezinningsstilte een intensieve beweging moeten bewerken.

In denken, in gevoelen, in willen.

Hij moet eveneens tot de realiteit van de eerste waarheid terugkeren en ook via de tweede en de derde waarheid.

Zoals de kandidaat van de tweede waarheid het vuur te hulp moet roepen om zijn ijs te doen smelten, zo zal de verstarde kandidaat van de vierde waarheid al de drie elementen, vuur, water en lucht, moeten proberen, dit hangt van zijn verharding af.

Is er nog openheid, nog een gevoeligheid, dan zal de stilte van de tweede waarheid hem kunnen leiden tot de vraag: « Wil ik? » 

Is er slechts de zelfgenoegzame tevredenheid, dan kan binnen de bezinningsstilte de verdiepingen van de vraag: « Wat weet ik en wat ken ik? »  de oplossing brengen.

Mits de kandidaat bereid is tot de spiritualiteit. Het is de beschouwing van het innerlijke bezit, die deze mens tot inzicht kan brengen, de basis waarop hij zichzelf verheven heeft, moet onderzocht worden. Is die basis een schijnfundering, dan moet hij de moed hebben die af te breken en allereerst tot het 'niets' van de derde waarheid terug te keren, waarna hij dan opnieuw gefundeerd moet worden. Eerst in de realiteit van de tweede waarheid om daarna de basis te vinden in de eerste waarheid.

De spirituele beschouwing van de vier waarheden, is dus altijd een terugweg voor de kandidaat.

Een terugweg, die gegaan wordt binnen een innerlijke stilte, een blootleggen van de eigen innerlijke bewogenheden, opdat de twee gaven intuïtie en Geweten hun arbeid kunnen doen.

De vier waarheden van Boeddha vinden contact met de kandidaat in overeenstemming met zijn type.

Het is niet van belang welke waarheid de mens het meeste beroert, of welke hij misvormd naar buiten draagt, maar het gaat er om, dat hij juist begint en deze vier waarheden tot eenheid brengt.

De eerste waarheid: een hoge moraal, tenslotte culminerende in de Kennis Gods en dat betekent: in de acceptatie van de Wil Gods en de overgave van de eigen wil, is het begin.

Een hoge moraal is een voortvloeisel uit een groeiend bewustzijn en onder 'hoge moraal' verstaat de kandidaat de sublimatie van oprechtheid, liefde, opoffering. Men kan eigenlijk zeggen: alle acties waarbinnen het ego zich niet beweegt.

Alle immoraliteit is terug te voeren op de wil van het ego. 

En immoreel zijn alle handelingen die de naaste verwonden, dan wel benadelen.

Via deze vier waarheden van de Boeddha, waarmede hij zijn discipelen tot de vervluchtiging van de zodiakale kenmerken trachtte te voeren, zouden wij in het volgende hoofdstuk graag komen tot de universaliteit van het 'Niet-Zijn' binnen de realisatie van deze vier waarheden, zoals de groten der Gnosis die predikten.

Nogmaals: de oplossing ligt in het kennen van zichzelf en daarna in het overgeven van dat zelf. Het zwaard van het Geweten hanteren in het zelf en de wijsheid van de intuïtie aanwenden bij de overgave van dit zelf.

De drempel waarover men heen moet stappen, ligt binnen de vier vragen:

  • "Wat wil ik?"
  • "Wil ik?"
  • "Wie ben ik?"
  • "Wat bezit ik?"

Heeft men voor zichzelf deze vier vragen naar Geweten en intuïtie beantwoord, dan kent de mens de eenheid van de Vier Waarheden.

De uitkomst op de vragen moet dan altijd spiritueel zijn en zich verenigen in de trilling van dezelfde bron. De vier uitkomsten zijn in harmonie en vormen de spirituele waarheid voor de kandidaat.

Deze waarheid vormt dan zijn Pad!

En dit Pad volgt hij, want het ligt in hem!

1970 - 2015, copyright Henk en Mia Leene