Elke esotericus gaat ervan uit, dat hij kan beschikken over kennis, die de meeste mensen niet hebben. En dat is natuurlijk waar. Er ontbreekt echter een schakel: meer weten of meer zijn heeft gevolgen.

Als men de hand in eigen boezem steekt, dan wel de esoterici of de z.g. wetende mensen beziet, kan men nauwelijks een verschil constateren met de man-in-de-straat of de in geestelijke dingen ongeïnteresseerde mens.

Dat bewijst dat de kennis van de mens niet aangekomen is op de plaats, waar zij in blijvende waarde wordt omgezet. Men kan het hebben over naastenhulp of naastenliefde, over vriendschap en oprechtheid, maar de totaliteit van de goede gaven van een wetende mens ontbreekt vrijwel altijd. Er schijnt een afsluiting te zitten tussen de uiterlijke mens, die luistert en bevestigt en de innerlijke mens, die ongestoord zijn gang gaat.

In de kunst zegt men: als men it of Fingerspitzengefühl niet heeft, helpt geen enkele les en in de geestelijke zaken gaat dat net zo op. Dit it is die ziele-ontvankelijkheid, die de mens dwingt tot een ernstige of geestelijke levenswandel. Elke vegetariër meent dat hij meer is dan de vleeseter, omdat hij iets voor zijn medeschepselen doet, dan wel zichzelf reinigt door middel van zijn voedsel. Er wordt vergeten dat er nog meer gaven nodig zijn om een waardig mens te worden, zoals naastenliefde, innerlijke adeldom, altruïsme, tolerantie, barmhartigheid.

De ene mens, die naastenliefde uitdraagt, is niet meer dan de andere mens, die geen vlees eet, omwille van de hongerende derde wereld en beiden zijn zij niet meer dan de ander, die zijn vriendschap schenkt. De ene of andere deugd maakt de mens niet tot een wijze, maar de wijze bezit wel alle deugden.

Waarom, zo kan men zich afvragen, komt het zo dikwijls voor dat esoterisch geïnteresseerde mensen nauwelijks belangstelling hebben voor de edele menselijke deugden?

De theoretische esoteriek houdt hen gevangen binnen een esoterische egocentriciteit. Theoretische spiritualiteit verhardt de mens en scheidt hem van de menselijke waarden. Dan verliest hij het gevoel van vriendschap, van eerbied, van naastenliefde en van altruïsme. Hij denkt dan aan niets anders dan zijn eigen welzijn en besteedt vrijwel al zijn tijd daaraan, hetzij mediterend, hetzij filosoferend, hetzij biddend in kerken of dergelijke.

Voorbijgaan aan de waarden van het menszijn is de meest grove fout, die men tegenover zijn Schepper kan begaan. Bezig zijn met zichzelf is de oorzaak voor het falen van de geestelijke groeperingen en eenlingen. In alle opzichten zou de wereld er anders uitzien indien de geestelijk georiënteerden zich niet uitsluitend op zichzelf of naar binnen zouden richten, maar ook naar buiten. Interesse in de naasten is geen verplichting, maar een spontane emotie, die geestelijke oriëntatie zou moeten vergezellen. Doordat men, ondanks alle geestelijke stromingen, doorlopend gericht is op zichzelf (of men nu over westerse dan wel oosterse stromingen spreekt is onbelangrijk, want overal ziet men hetzelfde beeld) is het mogelijk dat dit laboratorium van de Schepper onder de handen van de mens wordt afgebroken en daarmede wordt tevens ieder spiritueel mens de kans tot innerlijke ontwikkeling ontnomen.

Er bestaat niet slechts een binnenwereld, maar evenzo een buitenwereld en het overgrote deel der esoterici, in oost en west, scheidt deze beide sferen van elkander. Dan krijgt men veredelde egocentriciteit.

In veel esoterische kringen hongert men naar vriendschap, liefde, wisselwerking van gedachten of oriëntatie op wijdere uitzichten. Het bezig zijn met zichzelf ontaard nogal eens in lichamelijke ziekteverschijnselen, die kenmerkend zijn voor de esotericus of de spiritueel geïnteresseerde.

Verlies van levenskracht b.v. is een typisch gevolg van desinteresse in de buitenwereld, de naaste inbegrepen.

Indien men zijn medemens van dienst wil zijn, moet men de aandacht van zichzelf aftrekken. Geestelijk zoeken of gevonden hebben, betekent nooit zichzelf in het middelpunt stellen, maar dat wordt echter veelal vergeten. Alle methoden plaatsen de betrokkene centraal, terwijl juist de wetende en rijpe mens ontdekt, dat niet hij, maar zijn naasten belangrijk zijn.

Wisselwerking brengt leven, bevrijding, heling, verlossing.

Aan de wisselwerking tussen geest en ziel gaat altijd eerst een wisselwerking tussen hart en ziel vooraf. En dat wil zeggen, dat deze mens zijn hart opengesteld heeft voor de naasten, voor al het levende. Een in zichzelf besloten hart is nooit in staat zich te openen voor de ziel, netzomin als het zich heeft kunnen openen voor de naaste. Dan krijgt men gebrek aan menselijke waarden, aan menselijke gaven en onontbeerlijke menselijke, edele of hoogstaande morele eigenschappen.

Men kan niet de Schepper aanbidden en tegelijkertijd zijn levenskiem in zichzelf en de naaste loochenen, dan wel minachten.

Edele deugden, vriendschap, oprechtheid, standvastigheid en barmhartigheid behoren te groeien, terwijl  men zoekende is naar de geest. Indien dit niet het geval is, wordt het tijd voor een zelfonderzoek.

Die geestelijke arrogantie, die vele spiritualisten kenmerkt, is het gevolg van egocentrische verharding, door middel van een filosofische of dogmatisch geestelijke ontwikkeling. 

Hoe meer ik weet des te duidelijker zie ik dat ik niets weet is een grondwet voor de spiritualist. Dit is de basis voor wisselwerking, innerlijke ontplooiing en een oriëntatie op de buitenwereld. Die buitenwereld kan men 'slecht' noemen, maar men vergeet dat de mens daar mede annex is, of men wil of niet.

Elke gedachte bouwt daaraan mede of breekt mede af.

Gebrek aan kennis, of gebrek aan innerlijk weten kan wel eens vergoed worden door één of meerdere edele deugden en dit zou wel eens kunnen betekenen, dat zulk een mens eerder toegang krijgt tot de wijsheid dan de betweter.

Eerbied voor de mens, als mysterie, brengt deemoed tegenover de Schepper.  En zulk een oprechte deemoed is toch een open poort voor inzicht. Men kan natuurlijk niet, van vandaag op morgen, edele gaven aankweken, maar men kan wel zichzelf afvragen waarom men deze of gene gave mist, waar men verkeerd is gelopen, waar men verkeerd denkt, waar het gevoel ophield?

Elke afwezigheid van een edele menselijke gave heeft een oorzaak, hetzij uit het verleden van de mens, hetzij uit een foutieve opstelling tegenover het leven.

Het krioelt in de wereld van esoterische en spirituele stromingen en menigeen wil zich heden bij één van hen aansluiten, uitsluitend ten bate van zijn eigen heil. En vrijwel geen der stromingen verstrekt de betrokkene de idee, dat zijn eigen heil in wisselwerking staat met het heil van de naaste.

De veelgehoorde mening: « Ik ga mijn eigen weg », of: « ik kan het alleen », is precies zo egocentrisch.

De wisselwerking tussen God en schepsel of tussen geest en ziel, staat in direct contact met de wisselwerking tussen de mens en zijn medemens of zijn buitenwereld. Als de laatste wegvalt, valt langzaam maar zeker de wisselwerking tussen geest en ziel ook weg, omdat het levende water dan afgesloten wordt en dus zichzelf vergiftigt. Iedereen kan zien hoe zulke mensen volkomen veranderen, geestelijk stilstaan, geestelijk dood worden. 

Langzaam maar zeker worden hun eens zo prachtige mogelijkheden afgebouwd. Een goed observeerder zou dit van zichzelf moeten zien zodra hij in de spiegel kijkt: het levende licht in de ogen kwijnt weg.

Het zou goed zijn zichzelf eens te onderzoeken en rond te kijken, omdat het ten hemel schreiende gebrek aan menselijke waardigheid en natuurlijke adeldom de esoterici verbant naar een voor hen gevaarlijk isolement, temidden van een hongerende mensheid. Dit kenmerk vindt men overal, zowel in oost als in west, terwijl de geestelijke egocentriciteit minstens zo toeneemt als de materiële egocentriciteit. Het zou goed zijn als men zich hierop zou bezinnen en nagaan of men zich gedraagt, zoals van een waardige, kennis dragende, en daardoor alles begrijpende, dus zijn medemensen helpende mens, verlangd wordt.

Fouten heeft men allemaal, maar het gaat erom, dat men zichzelf losrukt van die verkapte, en dikwijls veredelde egocentriciteit en zijn blik naar buiten richt, want de einder bevindt zich niet slechts binnen, maar kan men eveneens buiten vinden, daar waar mens en kosmos zich verenigen in dat grote mysterie mens en leven, dat mede zijn laboratorium vormt. Dan zal men bemerken, dat men geestelijk lucht krijgt, waardoor geloof, hoop en liefde vermenigvuldigd worden en zo zal men ongemerkt bouwen aan een geluk of een vrede, die zowel hemzelf als zijn naaste insluit.

Zo zal de Schepper met de mens zijn en het zal hem nooit aan geestelijk brood ontbreken, onverschillig waar men werkt of waar men leeft.

Dagelijkse meditaties behoren tegelijkertijd dagelijkse bezinningen te zijn en ook rectificaties, zichzelf begrijpend, maar wel consequent in ogenschouw nemend en herstellend wat de geest weerspreekt of wederstaat.

Zo zullen de edele deugden zich ontvouwen als een onsterfelijke bloem en haar geur zal een ieder vertroosten.

1970 - 2015, copyright Henk en Mia Leene