Men heeft zich bepaalt bij de innerlijke rijkdom die ieder mens bezit en om tot een praktische aanwending van deze innerlijke kracht te komen moet men overtuigd zijn van die geestelijke schat. Zekerheid is voorwaarde om de naasten iets te kunnen overdragen: een geestelijke zekerheid, die van binnenuit tot de naasten uitstraalt.

Tenslotte moet men niet slechts doende zijn, om zichzelf innerlijke rijkdom te verschaffen, maar voor alles erop zijn ingesteld in geestelijke armoede of nood verkerende mensen bij te staan. Dat is de basis van geestelijke naastenliefde.

Het is dus noodzakelijk, dat men zich geestelijk doorlopend oplaadt, wil men in staat zijn kracht af te geven. 

Er wordt van ieder serieus geestelijk mens verwacht, dat hij zich dagelijks, zolang hij daartoe in staat is, bepaalt bij de geest, geheel volgens zijn eigen wijze.

Iemand, die door de geest wordt geïnspireerd, zal zich dagelijks spontaan met die geest bezighouden. Hoe meer behoefte men gevoelt zich in die geest te verdiepen, des te krachtiger zijn oplading zal worden en des te beter men zijn naasten van dienst zal kunnen zijn.

Zoals men weet: het spontaan in gedachten en gevoelen met de geest bezig zijn, is veel waardevoller, dan het verplicht dagelijks mediteren of iets dergelijks. Het spontane reageren komt direct uit het hart en waar het hart is, daar is de mens zelf.

Voorwaarde om dienend werkzaam te zijn, is de overtuiging van de nood der medemensen en vooral de behoefte daar iets aan te doen. Onverschilligheid tegenover de naasten, belet de mens spontaan liefde uit te dragen, aldus geestelijk iets voor hen te doen. Men moet ook alle gedachten aan vermeende eigen onwaardigheid of onvolkomenheid laten varen, dat belet geestelijke uitstraling. 

De inwonende geestelijke kracht IS volkomen en wie de mens is, is onbelangrijk, de mens is uitsluitend een doorvoerkanaal. Zich niet met zichzelf bezighouden, maar het werkelijke Niet-Zijn praktiseren dus.

Iemand, die bewogen is door medegevoel of medeleven met de naasten, praktiseert spontaan de zelfvergetelheid.

Wanneer men dit in de praktijk brengt dan kan men dat vergelijken met geestelijke genezing, maar dan wel doorlopend en zowel lichamelijk als psychisch en vooral in noodgevallen is het belangrijk met gelijkgezinden de krachten te bundelen.

Het bundelen is zeer belangrijk. Men moet direct, indien noodzakelijk, geestelijke kracht kunnen vrijmaken en zeker niet eerst met allerlei onbenullige of egocentrische belangetjes bezig zijn. Om tot een zelfvergeten levenshouding te komen, is het bezig zijn voor anderen uitstekend, beter dan elke andere methode, die zelfkastijding of strenge plichten voorschrijft. Het spontane medeleven met de geestelijk arme naasten, is het uitgangspunt voor de geestelijke en humane naastenliefde. Het hart is de motor voor de liefde, in verbinding met de ziel wordt het de drijfkracht voor de geestelijke Liefde.

Niemand kan zijn hart veranderen, maar men kan wel elkaar attent maken op de eenvoudige en vanzelfsprekende basis voor een geestelijk bewust worden.

Filosofie maakt de mens nooit bewust, deze werkt uitsluitend inlichtend. Zich bewust worden van een verantwoording tegenover de schepping en zijn schepselen, is een kwestie van innerlijke groei. Een geestelijk mens herkent zichzelf als waardevol onderdeel binnen die schepping en beseft vooral zijn opdracht vanuit zijn geestelijke kennis. Kennis legt de mens een last op zijn schouders, die hij niet kan afwerpen en die hij ook niet zou willen afwerpen.

Men moet er van doordrongen zijn dat men meer inzicht heeft dan de doorsnee-mens en tegelijkertijd zal men dan begrijpen dat dit inzicht de mens ketent aan die naasten. De oude drang om vrij te zijn, zet zich aldus om in een spontaan geketend worden aan de medeschepselen, uit Liefde. Vandaar dat de oude wijzen wisten, dat geestelijke vrijheid de hoogste vorm van gebondenheid was.

Onrijpe geestelijke mensen beseffen dit nog niet, zij zijn nog bezig zich vrij te vechten van valse verbintenissen, maar op een gegeven moment heeft men dat achter zich liggen. Dat kan men ook ervaren, omdat men de behoefte zal gaan gevoelen om iets met die kennis en die liefde te gaan doen.

Het zich vullen wordt dan spontaan gevolgd door het wegschenken. Laat men niet vergeten, dat nemen en geven bij elkander horen en het ene niet zonder het andere kan bestaan.

Iemand, die zich niet vult, kan niet schenken en iemand, die zich vult, zal gedwongen worden om te schenken, of anders wordt hij geestelijk en organisch ziek. Die drang tot het zich innerlijk opladen en het spontaan uitdelen, komt voort uit een geestelijk bewustworden. Men wil dan niet langer uitsluitend voor en met zichzelf bezig zijn, noch zich vermaken met geestelijke onderwerpen, als een soort hobby, maar dan krijgt men het verlangen om iets te doen.

En nu is het met geestelijke arbeid nooit van belang waar men woont, of welk werk men in de maatschappij verricht, of in welke omstandheid men verkeert. Als er iets samenbindt,  dan is het wel geestelijke arbeid! Het van elkander weten dat men bezig is kracht te bundelen en/of weg te schenken.

Deze handeling zal de mens tevens individueel veranderen, men wordt zo een werkzaam deel van het grote Al.

Daardoor wordt men minder egocentrisch en aldus onthecht men zich van aardse dingen. Niet het verplicht of gedwongen onthechten verandert de mens tot in het hart, maar het besef zijn medeschepselen te moeten bijstaan. Innerlijk Licht verzwakt en kan totaal uitdoven, indien men Het niet aanwendt om zijn naasten bij te lichten. Daarvan zijn talloze voorbeelden.

De momenten van bezinning zijn er vooral om doorvoerkanaal te zijn voor een geestelijke kracht, die zich op aarde, in de natuur, uitbreiden kan. Zulk een levensinstelling is veel doelmatiger dan mogelijke protesten tegen milieuvervuiling of dergelijke.

Daar de geest momenteel verdreven wordt uit natuur en mens, moeten er meer poorten komen die die geest aan natuur en mens overdragen. Men kan hier dus spreken van een genezingsproces, alsmede van een herverbinden van geest, ziel en mens of natuur.

Nogmaals: niemand is zwak, die de geestelijke kracht in zichzelf toelaat en ieder hunkerend mens verlangt niets anders dan de geestelijke kracht binnen te laten.  Hoe?

Door eenvoudig, vanuit het hart, de geestelijke interessen te laten prevaleren boven alles, zich niet laten afleiden door schijnmanoeuvres of drogredenen. De intuïtieve behoefte aan de geest altijd bevredigen door geestelijke onderwerpen, bezinningen, literatuur en alles waardoor men zich geestelijk harmonisch gevoelt.

Niet uitstellen tot morgen, maar het heden doen.

Niets is zo geneeskrachtig, voor lichaam en ziel, als het zich dagelijks met de geest bezighouden. Uitsluitend omdat men daaraan innerlijk behoefte heeft en niet als tijdverdrijf.

De kwantiteit en kwaliteit van de innerlijke behoefte zijn het kenmerk van de geestelijke staat van de mens. Daar vindt men de oplossing voor de problematiek en het mogelijke geestelijke falen.

Maar een minimale behoefte kan worden uitgebreid door deze te voeden, geestelijk brood zet de ziel aan tot sterkere hunkering.

Hij, die zijn naaste liefheeft als zichzelf, maakt dat hij doorlopend genoeg geestelijk brood bij zich heeft, om zijn naaste van honger en vertwijfeling te redden. Want wie ook bij de mens aanklopt, onverschillig op welk uur van de dag, moet zijn hart open en bereid vinden. Dan zal men wonderen zien gebeuren, waarvan men wellicht geen vermoeden had.

1970 - 2018, copyright Henk en Mia Leene