42 - Vertrouwen

De roos van het geluk geurt bedwelmend, maar haar leven is kort.


Het is noodzakelijk een evenwicht te brengen tussen activiteit en rust. Omdat men onderling van mens tot mens verschilt, moet men nooit verwachten dat allen gelijk zullen reageren.

één ding is echter zeker: de moderne mens moet terugkeren tot de diepe betekenis van de rust, de innerlijke harmonie.

Men ontvlucht de Vrede, hoewel men zegt deze te zoeken.

Vrede is: zich niet weren tegen gedachten, emoties of omstandig-heden. In de betekenis van: door inmenging verandering forceren of zich verenigen met gedachten, gevoelens of omstandigheden die men eigenlijk verfoeit.

De overgave heeft men reeds als men ernst maakt met de spiritualiteit, die men daarna moet laten overvloeien in de begrippen: verlangen - eenheid - diepe vrede - licht.

Elke poging tot stilte of bezinning mislukt, indien men zich niet kan overgeven.

Waarom kan men dat niet?

Door een innerlijke verscheurdheid, een innerlijke strijd tussen twee tegengestelden en een onevenwichtigheid daartussen.

Weerstand is goed als tegenwicht van het willekeurige medebewegen. Te veel weerstand is al een vorm van onevenwichtigheid. Angst voor de overgave aan de geest is gebrek aan geestelijke onderscheiding. Alles komt natuurlijk voort uit zekere ervaringen, die niet goed zijn verwerkt.

Weerspannigheid kan net zo funest zijn als een overdosis aan ontvankelijkheid. Men moet de overgave nuchter bezien, kritisch observeren. Allereerst moet men weten aan wat of aan wie men zich overgeeft. Dat behoeft geen beletsel te zijn, want bij de pentakel-bezinning geeft ieder zich over aan juist zijn voorstelling van spiritualiteit, God of Geest.

Is hij onzeker, dan ontbreekt de mens de zuiver geestelijke idee, het zich kunnen voorstellen van of het zich kunnen verenigen met wat hij als heilig eerbiedigt. De gespannen mens kan zich niet ontspannen, omdat hem een innerlijke waakzaamheid ontbreekt tijdens de overgave. Zoals in de 18de beeltenis van de Tarot de honden waken, terwijl Osiris of de pelgrim mediteert, zo moet in de mens Anubis, de bewaker van de geheimenissen en tegelijkertijd de wachter voor de hel, de plaats innemen van het  actieve bewustzijn. D.w.z. zodra de persoonlijkheid zich overgeeft in de ontspanning, moet direct een plaatsvervanger aanwezig zijn, in de vorm van de ziel of een aspect van de ziel, het Geweten, de intuïtie. Er mag dan van de mens verondersteld worden, dat hij voldoende innerlijke kernkracht heeft verzameld om niet als afgevallen bladeren op een etherische stroom meegevoerd te worden. Het innerlijke onderscheidingsvermogen en aldus de bewaking van het heilige der heiligen in de mens, ontwaakt zodra de persoonlijkheid zich ontspant.

Lichamelijke ontspanning is nl. een eerste aanzicht van natuurlijke overgave, het afwezig zijn van waakzaamheid. Men gevoelt zich ontspannen, omdat men zich gerust, op zijn gemak of veilig gevoelt. De gedachte: Er kan je niets gebeuren is een stimulans tot ontspannen. 

Angst voor de overgave of het zich niet kunnen ontspannen, is een vlucht voor zichzelf, of een vlucht voor denkbeeldige gevaren. Soms aangeprate gevaren, soms foutief verwerkte ervaringen, die disharmonisch op de mens inwerken.

Zich overgeven is het gevoel van rust, of gerustheid uitbreiden, ontdekken dat er veel meer mogelijkheden zijn om die rust te vinden. Elk moment van de dag kan men de overgave betrachten; deze aanleren is als het accepteren van de beeltenis, waaraan men zich overgeeft en de wens om dit te doen.

Niet wensen kan gebroken worden door willen.

Dat heeft echter noch ontspanning, noch de geestelijke overgave tot resultaat, maar slechts het zich voegen naar de methode en het zichzelf ontnemen van de vrije wil of de vrijwillige vereniging.

Uiteindelijk is de vrijwilligheid zowel het begin als de eindfase van de spiritualiteit. Niemand behoeft zich over te geven aan iets, dat of iemand, die hem onbekend is.

In de eigen omstandigheden kan alleen al het begrip overgave een aanleiding zijn om de vibratie tijdens het overdenken hiervan opnieuw te beleven en dat werkt in alle opzichten zegenend of heiligend op organisme en ziel.

Resumerend dient men:

  1. de eigen geestelijke idee te zoeken en te onderkennen.
  2. deze objectief van alle zijden te bezien, zonder dat de gedachten deze beschouwing torpederen.
  3. zich dermate in de beeltenis te verdiepen, dat men zichzelf vergeet, ook de rusteloosheid.
  4. slechts vereniging met datgene te wensen, wat voor hem heilig is.
  5. nooit te vergeten zichzelf na elke bezinning streng en positief tot de dagelijkse orde terug te roepen. 

Zoals bij elke ontspanning: de dingen om zich heen duidelijk waarnemen.

Alert zijn is een kwestie van lichamelijke waakzaamheid, het organisme is dan elke seconde op zijn hoede. De wisseling tussen alert zijn en afwezigheid ligt uitsluitend bij de wens.

Als de wens tot actief waakzaam zijn in de mens naar boven komt, voegen de organen zich daarnaar. Men trekt zich dan uit een beelden wereld terug, om weer alert te zijn in de tastbare vormenwereld. Als men voor zich uit zit te dromen en door een voorvalletje daaruit opschrikt, is er een moment een innerlijke schok, dikwijls een onprettige gewaarwording.

Het door middel van schokken heen en weer gedreven worden tussen geestelijke beeldenwereld en prozaïsche uiterlijke vormenwereld, is ongezond voor het organisme; elke arts die ontspanningsmethoden aanleert weet dat.

Op de wensen van de mens moet men dan weer in de ene en dan weer in de andere sfeer alert kunnen zijn. Men moet zichzelf in alle opzichten kunnen beheersen; hoe minder de uiterlijke wereld gaat verschillen van de innerlijke wereld, des te dichter is men bij een harmonie, een moeiteloze overgave van de persoonlijkheid aan de ziel en van de ziel aan de geest.

Als pelgrims op eenzelfde geestelijke weg, onbelangrijk waarin men verschilt, hopen de mensen beslist allen op een innerlijke ontplooiing of verrijking. Men kan niet de geestelijke beeltenissen of de geestelijke gedachten afwijzen en toch hopen op geestelijke ontplooiing.

Er moet iets gebeuren. En dat iets bepaalt men zelf! Vrijwillig, op instigatie van een wens. Niet een vluchtig verlangen, een voorbijgaande impuls, maar een ingeboren wens, die  de mens eigenlijk nooit verlaten heeft.

Er is niets vreemds of buitenissigs aan het zich overgeven aan de geest of de persoonlijkheid zich laten ontspannen, omdat de ziel wakende is. Voor alles moet er zijn: een geloof in die ziel.

Zou dat er niet zijn, dan was de mens ook geen geestelijke pelgrim.

Veel mensen geloven in God, ieder op zijn eigen wijze, waarom zou men dan niet in een ziel geloven, waaruit de idee aan een God ontstaat? Te weinig vertrouwen in die ziel, is als te weinig geloof in God of geest. Te weinig geloof, is te veel persoonlijke hoogmoed, is onwetendheid als gevolg van te weinig geestelijke ervaringen met de ziel of met God.

Wie zou er iets op tegen hebben, zich te ontspannen en te ervaren, hoe iets in de mens de leiding overneemt, de mens bewaakt, bewaart en vooral Kennis verzamelt uit de geestelijke overgave? Want tijdens een overgave leert men evenzeer als tijdens een harde ervaring.

Tracht daarom volkomen te wennen aan de idee: als mijn vertrouwenwekkende persoonlijkheid zich terugtrekt, neemt mijn inwonende God zijn plaats in.

Dit is nl. een ervaring, die elke geestelijk hunkerende mens ondergaat.


1970 - 2015, copyright Henk en Mia Leene