39 - Het pentakel — het waarachtig luisteren

Zolang de tijd niet dringt brandt men geen wierook; als het dringend wordt omklemt men de voeten van Boeddha.


De mens moet met zijn innerlijke realisatie gaan leven en waarlijk leren te luisteren en zichzelf te overtuigen van de gevonden waarheid en zijn leven daarmede gaan verrijken. De mens moet doortrokken zijn van de geest en niemand kan deze aan de ander overdragen, daarom moet men luisteren en doen.

Er zijn mensen die vragen om een methode om deze geest te vinden of te realiseren: er is geen methode.

Zoals ieder mens een unicum is, zo is de wijze waarop deze mens de geest ervaart, afgestemd op zijn individuum. Men kan slechts zeggen: iedereen vindt de geest, die waarlijk in de ziel daarnaar hunkert en zijn hunkering laat vergezellen door de praktijk van de eenheid tussen ziel en geest.

Eenheid is er direct zodra de ziel er behoefte aan gevoelt. Elke meditatie of concentratie of bezinning zal zijn als een roep van de ziel, onverschillig op welk uur, onverschillig hoe lang en waar, de intensiteit bepaalt de werking. De mens kan zich de oerschreeuw van de ziel niet aanleren, noch door oefening deelachtig worden, de ziel schreeuwt in benauwdheid en benauwdheid is een gevolg van haar onderdrukte goddelijkheid.

Iemand, die zulk een benauwdheid niet kent, zoekt naar vervangingsmiddelen. Men kan de ziel niet voorschrijven op welk uur en waar zij het benauwd moet krijgen en schreeuwen naar de geest. Zij reageert op haar tijd en de mens bespeurt dit het duidelijkste, indien hij ziele-pijnigende omstandigheden heeft.

Die kunnen van tot mens verschillen.

Geestelijke beklemdheid ervaart de ziel als men haar belet in haar bewegingen. Alle bezinningsmomenten zijn als een vlucht van de ziel naar haar hemelen, mits de betreffende mens een in gevangenschap lijdende ziel bezit. Vandaar dat, als alles goed is, er geen vastgestelde uren zijn voor bezinning. Zij zullen er elke dag zijn, op de vreemdste momenten.

De ziel sleept de mens mede in haar hemelvlucht als deze een ogenblik in rust is. Elke methode schrijft de ziel regels voor, in de veronderstelling dat zij zich daaraan stipt zal houden.

Wie is de mens, dat hij de ziel, de kleine God, regels voorschrijft?

Waar is de meester, die God zeggen zal, wanneer hij Hem ontvangen kan?

God is alomtegenwoordig en alomtegenwoordigheid en eeuwige aanwezigheid betekenen, dat, op ieder moment van de dag, God in de ziel, in het hart binnen kan treden. Elke voorgeschreven meditatie-methode is geënt op het menselijke begeren en de menselijke wil.

Iemand, die graag, uit vrije wil, dus vrijwillig, wil luisteren naar de ziel, kan zelfs door een inkeer overvallen worden, onverschillig waar! Zijn mantram is de roep van de ziel, die zij, vrijwel voortdurend, uitzendt. Te beklagen zijn degenen, die deze roep van de ziel najagen om hem te bemachtigen, want des te meer men jaagt en streeft, des te onwezenlijker wordt hij.

Als men zegt: De mens moet leren mediteren, kan men dit eenvoudig vertalen door: De mens moet leren zichzelf niet zo belangrijk te vinden. Hij moet leren begrijpen dat niet alles om hemzelf draait, dat niet hij zalig of gelukkig moet worden, dat hij niet wordt gedwongen om op onmogelijke uren te mediteren.

Iemand, die stil kan zijn voor zijn God, kan, van binnenuit, mediteren, in de juiste betekenis van dit woord.

Dit stil zijn voor God is hem een behoefte, hij kan daar nooit genoeg van krijgen. En komen er zware tijden, dan bemerkt hij hoe hij innerlijk gevoed werd en hij weerstand gekregen heeft om, onverschillig wat, te doorstaan of te weerstaan.

Zichzelf geestelijk opladen berust op de verbondenheid tussen geest, ziel en mens.  Is die verbondenheid zwak of miniem, dan zijn er andere stimulerende injecties nodig. Daar de geestelijke weg zich in de mens zelf bevindt, kan men deze weg nooit van hem scheiden. Zo de mens is, zo is zijn weg!

De steeds wederkerende terugval in de materiële interessen en bindingen, is een bewijs van de onstabiele eenheid tussen geest, ziel en mens. 

In uiterste nood wordt de mens dan geprest zich zijn ziel of God te herinneren. In het slechtste geval herinnert hij zich zelfs dan de geest niet meer.

Het heeft totaal geen zin zichzelf te dwingen tot bezinning, noch tot spiritualiteit, indien elke geestelijke voeding vermorst wordt in onbelangrijke bezigheden. Zijn edele voeding bewaren en bewaken en deze aanwenden tot nut van iedereen, dat is de oplossing om zelf mede geestelijk levend te blijven.  Menigeen vermorst gemakkelijker de geest dan zijn geld.

Dat is kenmerkend. Bij een keuze zal dan ook alles wat met materiële zaken te maken heeft, de voorkeur hebben boven de geest. Zulk een instelling kan men niet veranderen door een zg. geestelijke methodiek. Hoogstens bedekt men die instelling.

De enige oplossing om van zoekend mens een rijp mens te worden is: luisteren naar de ziel, hoe eenvoudig of teleurstellend dit ook mag klinken.

Tijdens werkzaamheden, tijdens reizen, tijdens gesprekken kan men toch luisteren naar de ziel. Dat is waarachtige Zen, of het Niet-Zijn. Alles wat met dit luisteren te maken heeft, kan men 'meditatie' noemen. 

Tijdens dat luisteren wordt de mens gevoed. Over dit luisteren kan men ook niet discussiëren, want men doet het of men doet het niet en er is geen methode voor te geven. Bovendien weet elk mens of hij werkelijk naar die ziel luistert of niet en zijn alle vragen dienaangaande slechts een egospel om de aandacht op zichzelf te richten.

Geen rijp geestelijk mens brengt zijn ziel in discussie, dat is hem onwaardig. De rijpende geestelijke mens gevoelt de behoefte te luisteren naar de ziel en hunkert, elk moment van de dag, naar een alleen zijn met de geest, onverschillig waar en wanneer.

Hij, die waarlijk luistert zal de weg vinden om zijn geestelijk voedsel te verdelen en/of te nuttigen. Hij zal geen geestelijke honger meer gevoelen, zonder gevoed te worden. 

Hij zal niet oververzadigd geraken, doordat hij niet kan wegschenken  of niet nuttigt. Hij zal zijn als de Boom, zich verheffende tot de hemel, staande op de aarde, een wezen dat aarde en hemel verbindt en zich gelukkig en vol vrede gevoelt, omdat hij de geest en daardoor ook de ziel dient.


1970 - 2015, copyright Henk en Mia Leene