De reuk, en daardoor de longen.

De gecultiveerde mens heeft de waarneming via de reuk grotendeels verloren. Natuurvolkeren hebben een oneindig veel fijner reukvermogen. Daar de neus zowel met de ademhaling, als met de geur te maken heeft, staat hij in nauw contact met de ether en daardoor met een zieletrilling.

Adem, ether, longen, neus en ziel zijn een eenheid.

De neus is niet slechts een ademhalingsinstrument, maar is tevens dienstbaar aan de geur en de reuk en daardoor mede verantwoordelijk voor de onderscheiding tussen het zielloze en het bezielde. Via de geur zou de reuk van de mens hem moeten vertellen of iets bezield dan wel onbezield is.

Iemand, die zich gewend heeft aan de geur van lijken, in slachthuizen e.d., stompt dit onderscheidingsvermogen af.

Er is een tijd geweest, dat men mensen kon onderscheiden naar hun geur en dat dit sympathiek dan wel antipathiek op de mens werkte. Deze fijnere onderscheiding is vrijwel weggevallen en teruggewezen naar de milt en zo een zuiver natuurlijke herkenning geworden.

Het vermijden van geuren die onaangenaam voor de mens zijn, komt de longen ten goede. Waardoor de verhouding van ether en lucht in de longen zal overhellen naar het etherisch-geestelijke.

Hoe sterker de mens geconcentreerd zal zijn in zijn diamanten Midden, des te fijner zijn reuk wordt. Hij kan dan ineens het geestelijke ruiken, want ook de geest heeft een geur.

Een geur die weldadig is voor God.

1970 - 2015, copyright Henk en Mia Leene