De leefwijze is hieraan af te meten, de gesprekken, de interessen, de vriendschappen, alles is een gevolg van de macht en de kracht van die aanwezige zonne-ziel, of lichtziel.

« En als datgene wat licht aan u is, duister wordt, hoe groot zal dan de duisternis zijn! »

Een duidelijke uitspraak voor een Zoon des Lichts!

Duisternis is onwetendheid; wanneer het verstand verduisterd is, geen contact meer heeft met het goddelijke, bewijst de mens zondig te zijn, dus buiten het licht' te staan.

Zonde, onwetendheid en duisternis zijn altijd synoniem geweest, in alle esoterische taal, ook in de bijbel. 

Onwetendheid is dus hetzelfde als 'het contact verliezen met het goddelijke', aldus brengt het goddelijke het weten, kennis, gnosis.

Menselijke methoden bereiken deze gnosis niet, het verstand evenmin en zo wordt elk mens dus teruggevoerd tot zijn goddelijke uitgangspunt, d.w.z. tot de Zoon des Lichts, hij , die een ziel van de Zon bezit.

Zoals de cosmische zon straalt, zo straalt de geestelijke zon, hij draagt uit, maar hij is eveneens onderworpen aan een ademhaling, inademen en uitademen, pulseren. Zo zal ook de Zoon des Lichts behoefte gevoelen aan inademen, opnemen en uitademen, doorgeven. Gelijk de ademhaling alle schepselen in het leven bevestigt, zo bevestigt het geestelijke opnemen en het geestelijke doorgeven de Zoon des Lichts in Zijn Leven.

Hij behoeft zich geen zorgen te maken over zijn geestelijke groei.

Problematiek op dit gebied komt voort uit het menselijke brein, dat worstelt met een onwetendheid of duisternis. 

Wat voor de ene mens theorie, dus duisternis is, is voor de andere mens praktijk en dus leven en licht. Daarover valt nooit te redetwisten.

Men kan voor zijn naaste het duister niet wegnemen, hoogstens kan men zijn duistere hemel doorklieven met een bliksemschicht, opdat hij een ogenblik ziende zal worden. En zicht brengt mogelijk zoeken en zoeken brengt weten.

Het volledige mens worden, is niets anders dan in wissel-werking staan met het trillingsveld van de ziel en daardoor zich anders ontplooien dan in de maatschappij gebruikelijk is.

Menswording houdt elke vorm van innerlijke ontplooing in, evenals het synoniem is met het gestalte geven aan de trillingen van de oerdeugden. Het kosmische zijn bewijst zich in deze vol-ledige menswording; de ademhaling van yin en yang wordt vanzelfsprekend en harmonisch. Hoewel de mens aan deze schone beeltenis nog niet zal beantwoorden, is het toch juist en noodzakelijk, dat hij deze doorlopend voor ogen houdt en in denken en vooral emotioneel belevendigt.

Hij moet van deze beeltenis gaan houden, daarmede samensmelten in denken, gevoelen en willen. Het is zijn ingeschapen ideaal-tekening, die hij tevens buiten zich ziet en waaraan hij zijn gehele leven werkt, om deze tekening te realiseren, als zijn ware mens. Zodra een z.g. theorie ondersteund wordt door een innerlijk weten, is het geen theorie meer voor de betreffende mens, maar een werktekening.

Tussen theorie en praktijk ligt de fase van het verwerken. 

Het bezig zijn met waarlijk leven, in de betekenis van zijn individuele ziel. Daar, in oorsprong, zielen gelijk zijn, slechts groeiverschillen kennen, zal elke Zoon des Lichts met zijn gelijke in overeenstemming zijn over de betekenis van waarlijk leven.

Elke terminologie wordt dan onbelangrijk, het onderlinge innerlijke begrip vormt de brug. Dan worden onderlinge interessen gelijk, onderling streven, zoeken, verlangen.

Ieder drukt zich uit naar zijn aard, naar zijn stoffelijke instrumentarium, dat ondergeschikt is aan allerlei kosmische invloeden, bewegingen binnen de yin- en yangstromen, onverwachte onderbrekingen enz., maar ook de aard wordt onbelangrijk, omdat de begripsbrug de verbintenis behoudt.

De aard van de mens ligt zowel in zijn stoffelijke- als etherische lichaam, omdat beide lichamen gebonden zijn aan de stoffelijke wereld en zijn etherische tegenhanger. De kwaliteit of de dimensie van de ingeschapen energiekern of ziel, bepaalt echter de eenheid tussen geestelijk levende mensen. 

Ego-interessen vallen dan weg. Men laat ze rustig wegvallen, omdat er sprake is van een zekere onthechting, een ziel uit een hogere dimensie, of een goddelijk dimensionaal levensveld, hecht zich immers nooit aan belangen van een lager levensveld.

Zal er sprake zijn van zielecontact, of een ziele-aantrekkingskracht tussen mensen, dan verdwijnen ego-interessen direct op de achtergrond, zij tellen eenvoudig niet meer mee en niemand zal daarover klagen of zich bedroefd gevoelen.

Elke ziel, elke ingeschapen goddelijke energiekern doortrilt de mens met een geluksgevoel of een vreugde, als er een zielecontact is, hetzij met een naaste, hetzij met een levensveld en daarin verdwijnen alle ego-interessen.

Dat resultaat is dus niet het gevolg van een methode of een gevecht, maar een logische gebeurtenis van iets dat, buiten de ego-wil van de mens om, in hemzelf plaats heeft.

Het is ook niet iets waarop men wacht, maar iets dat, door middel van het waarlijke leven, aan hem voltrokken wordt. Het is ook niet iets dat men voortdurend najaagt (hetgeen men najaagt vlucht altijd), maar het komt op het ogenblik waarop men er niet op verdacht is.

D.w.z. in het ogenblik dat de mens slaapt in zijn ego.

Het ego doen inslapen lukt niet, het slaapt in als het moe geworden is, op zijn eigen tijd, beantwoordend aan zijn eigen ritme, zoals een kind inslaapt als het moe is.

De wake van het ego is de slaap van de ziel en de slaap van het ego is de wake van de ziel. Hun onderlinge verhouding bepaalt dit ritme van waken en slapen. 

Hoe meer men zich daar, als eigengereide, betweterige en onwetende mens buiten houdt, des te gezonder en beter zal dat zijn voor ego en ziel en dus voor het lichaam en de ziel.

De diepte en de wijsheid van de eenvoud leren onderscheiden, is de eerste les die de ziel de mens doorgeeft, want niets is grootser dan de eenvoud van de Geest. 

Juist het eenvoudige is onontbeerlijk, omdat het de grondtoon van het leven betekent.

1970 - 2015, copyright Henk en Mia Leene