36 - Geestelijke ontwikkeling

Beter is het dichtbij goed te doen,

dan in de verte wierook te branden.

Na een blik te hebben geworpen op de stralingswetten, kan men wellicht beter begrijpen hoe kosmos en mens zich verhouden.

Niet alleen de esotericus of gnosticus weet tegenwoordig, dat de kosmische wetten zich eveneens in de mens zelf voltrekken.

Esoterisch ingestelde wetenschapsmensen zien een analogie tussen de techniek, die zich in een ruimteraket afspeelt en het instrumentarium, waaraan de mens gebonden is. Een raket kent het procesmatig afstoten van zijn capsules, zoals de mens zijn lichaam na zijn dood afstoot, wanneer hijzelf, zijn fijnere zelf, overgaat naar andere dimensionale velden.

De techniek volgt langzaam en onbewust hetgeen zich binnen de kosmische wetten voordoet. Alles wat de mens doet is een imitatie, hij volgt de tekening van een verborgen beeltenis, die in hemzelf aanwezig is. Vandaar dat alle gebeurtenissen in maatschappij en mensheidsgeschiedenis een gevolg zijn van de verborgen tekening in het denken, de emoties en het bewustzijn van de mensheid. De mens schept niet, hij produceert.

Hij volgt altijd een voorhanden zijnde wet en het feit dat hij daar onkundig van is, is een bewijs dat hij zijn kennis heeft verloren.

Juist dit onbewuste namaken van verborgen beeltenissen, is een demonstratie van zijn afdwaling van het goddelijke zijn.

De religieuze mens zoekt door inkeer naar deze verborgen tekening, waarin de eerste wijsheid ligt geconcentreerd. De zich bewust van zijn afdwaling geworden Lichtzoon zoekt zowel buiten zichzelf, in de kosmos, als in zichzelf, in zijn ziel, naar hetgeen hij als Lichtzoon wist. Dat weten zou hem dan terugvoeren tot zijn verloren staat.

Nu is duidelijk geworden, dat de intensiteit waarmede deze Lichtzoon naar dit verloren Weten zoekt, een verandering teweegbrengt in zijn trillingsveld, zijn uitstraling. Automatisch wordt zijn etherische antenne op een andere golflengte of dimensie afgesteld, waaruit hij dan weer andere informaties putten kan. Levenshouding is geen aangeleerde kwestie, maar een gevolg van de wisselwerking tussen een trillingsveld en het individu. Daardoor wordt de laatste gedwongen in beweging te blijven, d.w.z. levend te blijven in zijn bewustzijn.

Nu heeft men in de fysica ontdekt, dat in alle schepsels, mens, dier of plant, zelfs in het mineraal, een energie-concentratie aanwezig moet zijn met behulp waarvan het betrokken schepsel zijn informaties registreert. Het is van de kwaliteit van deze energiekern afhankelijk welke informatie het schepsel begrijpt, opvolgt en doorgeeft.

Een godsvoorstelling is dus altijd in verhouding met de energiekern in het individu. De religieuze mens zegt: de ziel zoekt zijn eigen god. Hier ontmoeten wetenschap en religie elkander, hoewel de terminologie verschilt.

Zoals elke esotericus weet, ligt de ziel buiten het bereik van het ego en zijn trillingsvelden. De fysicus ontdekt dat de energiekern door niets aan te tasten valt, dat men deze niet fysisch kan verklaren: het is een voor de mens onbekende trilling of energie, en dus moet hij uit een hogere dimensie komen.

Iemand, die zich van deze energiekern afsluit b.v. bij ziekten of depressies, bij bitterheid of intellectuele kristallisatie, verwijdert zichzelf tevens van informaties, die boven het menselijke begrip liggen, informaties uit een hogere dimensie. Aldus bepaalt de mens zelf, wat hij weten wil, wat hij horen wil en is hijzelf dus verantwoordelijk voor zijn innerlijke ontwikkeling.

Geestelijke ontwikkeling is hetzelfde als: groeien naar een hoger dimensionaal levensveld. Het contact met hogere dimensies brengt het geestelijke denken boven de menselijke maatstaven.

De mens ontwikkelt de ziel niet, maar de ziel ontwikkelt de mens.

De mens probeert het veelal vanuit zijn eigen mogelijkheden; men redeneert altijd vanuit het menselijke denken, men probeert zich geestelijk te ontwikkelen of te verruimen, via de begrijpelijke mogelijkheden, dus altijd via door mensen begrensde begrippen.

Als men wil mediteren zoekt men een, voor zichzelf, begrijpelijke methode; als men kennis wil vergaren, zoekt men lessen, leringen, cursussen.  Noch de eerste noch de tweede methode zijn in overeenstemming met die zeer individuele energiekern of ziel. De ziel zoekt, niet de mens.

De mens verlangt andere dingen dan de ziel. Hetgeen logisch is.

De ziel heeft geen moeite om zich in het onbegrensde te bewegen, slechts het ego-denken kan dit niet. Daarom worden er methoden bedacht om dit ego-denken terug te dringen, maar bij hen in wie de ziel, als een levende aanwezigheid spreekt, is dit niet nodig. 

Hoe meer deze ziel (een bewezen energiekern) in wisselwerking staat met zijn eigen levensveld, des te krachtiger de mens bovenmenselijke informaties ontvangt. De levenshouding volgt daarna, hij gaat nooit vooraf, maar is een vanzelfsprekend gevolg van iets. Men kan mensen nooit in een gemeenschappelijke levenshouding dwingen, omdat levenshouding groeit als gevolg van een innerlijke ontwikkeling en deze is weer zeer individueel.

Gelijke innerlijke informaties vormen de verbintenis tussen zielen en dus tussen geestelijk zich oriënterende mensen.

Zowel inkeer als weten van het hart brengen zielen op eenzelfde weg, een universele weg, zonder naam, zonder beperking.

Inkeer brengt gnosis (hart-denken of innerlijke informatie) en gnosis brengt inkeer. Daarom zal zulk een mens tot een andere kennis of een ander weten komen, iets dat niet aan te leren, noch te bestuderen is. Een gnosis die blijvend is en die de mens hier en in gene zijde in een levensveld plaatst, dat met zijn ziel overeenkomt.

Het ego vertegenwoordigt de energiekern of de zg. ziel voor de absoluut aardse mens, bij hem is een concentratie van hogere dimensies afwezig. De Lichtzoon of de Zoon van de Goddelijke Zon bezit altijd de concentratie van dit goddelijke trillingsveld als antenne voor geestelijke informatie of contact. Zelfs de fysica kan bewijzen, dat er schepsels zijn zonder deze zonne-ziel en schepsel met deze zonne-ziel. Slechts de betiteling is anders.

Een geestelijk, dus hoger dimensionaal contact tussen deze beide schepselsoorten is onmogelijk, er is uitsluitend een lager dimensionaal contact mogelijk, indien de Zoon des Lichts zijn ziele-trilling uitschakelt. De ene doet dit snel en soms veelvuldig, de andere kan dit niet meer, omdat zijn ziele-trilling te krachtig werkt; weer een andere zoekt met zijn ziele-trilling zijns gelijken en beweegt zich hiervoor in vele trillingsvelden.

De leefwijze is hieraan af te meten, de gesprekken, de interessen, de vriendschappen, alles is een gevolg van de macht en de kracht van die aanwezige zonne-ziel, of lichtziel.

« En als datgene wat licht aan u is, duister wordt, hoe groot zal dan de duisternis zijn! »

Een duidelijke uitspraak voor een Zoon des Lichts!

Duisternis is onwetendheid; wanneer het verstand verduisterd is, geen contact meer heeft met het goddelijke, bewijst de mens zondig te zijn, dus buiten het licht' te staan.

Zonde, onwetendheid en duisternis zijn altijd synoniem geweest, in alle esoterische taal, ook in de bijbel. 

Onwetendheid is dus hetzelfde als 'het contact verliezen met het goddelijke', aldus brengt het goddelijke het weten, kennis, gnosis.

Menselijke methoden bereiken deze gnosis niet, het verstand evenmin en zo wordt elk mens dus teruggevoerd tot zijn goddelijke uitgangspunt, d.w.z. tot de Zoon des Lichts, hij , die een ziel van de Zon bezit.

Zoals de cosmische zon straalt, zo straalt de geestelijke zon, hij draagt uit, maar hij is eveneens onderworpen aan een ademhaling, inademen en uitademen, pulseren. Zo zal ook de Zoon des Lichts behoefte gevoelen aan inademen, opnemen en uitademen, doorgeven. Gelijk de ademhaling alle schepselen in het leven bevestigt, zo bevestigt het geestelijke opnemen en het geestelijke doorgeven de Zoon des Lichts in Zijn Leven.

Hij behoeft zich geen zorgen te maken over zijn geestelijke groei.

Problematiek op dit gebied komt voort uit het menselijke brein, dat worstelt met een onwetendheid of duisternis. 

Wat voor de ene mens theorie, dus duisternis is, is voor de andere mens praktijk en dus leven en licht. Daarover valt nooit te redetwisten.

Men kan voor zijn naaste het duister niet wegnemen, hoogstens kan men zijn duistere hemel doorklieven met een bliksemschicht, opdat hij een ogenblik ziende zal worden. En zicht brengt mogelijk zoeken en zoeken brengt weten.

Het volledige mens worden, is niets anders dan in wissel-werking staan met het trillingsveld van de ziel en daardoor zich anders ontplooien dan in de maatschappij gebruikelijk is.

Menswording houdt elke vorm van innerlijke ontplooing in, evenals het synoniem is met het gestalte geven aan de trillingen van de oerdeugden. Het kosmische zijn bewijst zich in deze vol-ledige menswording; de ademhaling van yin en yang wordt vanzelfsprekend en harmonisch. Hoewel de mens aan deze schone beeltenis nog niet zal beantwoorden, is het toch juist en noodzakelijk, dat hij deze doorlopend voor ogen houdt en in denken en vooral emotioneel belevendigt.

Hij moet van deze beeltenis gaan houden, daarmede samensmelten in denken, gevoelen en willen. Het is zijn ingeschapen ideaal-tekening, die hij tevens buiten zich ziet en waaraan hij zijn gehele leven werkt, om deze tekening te realiseren, als zijn ware mens. Zodra een z.g. theorie ondersteund wordt door een innerlijk weten, is het geen theorie meer voor de betreffende mens, maar een werktekening.

Tussen theorie en praktijk ligt de fase van het verwerken. 

Het bezig zijn met waarlijk leven, in de betekenis van zijn individuele ziel. Daar, in oorsprong, zielen gelijk zijn, slechts groeiverschillen kennen, zal elke Zoon des Lichts met zijn gelijke in overeenstemming zijn over de betekenis van waarlijk leven.

Elke terminologie wordt dan onbelangrijk, het onderlinge innerlijke begrip vormt de brug. Dan worden onderlinge interessen gelijk, onderling streven, zoeken, verlangen.

Ieder drukt zich uit naar zijn aard, naar zijn stoffelijke instrumentarium, dat ondergeschikt is aan allerlei kosmische invloeden, bewegingen binnen de yin- en yangstromen, onverwachte onderbrekingen enz., maar ook de aard wordt onbelangrijk, omdat de begripsbrug de verbintenis behoudt.

De aard van de mens ligt zowel in zijn stoffelijke- als etherische lichaam, omdat beide lichamen gebonden zijn aan de stoffelijke wereld en zijn etherische tegenhanger. De kwaliteit of de dimensie van de ingeschapen energiekern of ziel, bepaalt echter de eenheid tussen geestelijk levende mensen. 

Ego-interessen vallen dan weg. Men laat ze rustig wegvallen, omdat er sprake is van een zekere onthechting, een ziel uit een hogere dimensie, of een goddelijk dimensionaal levensveld, hecht zich immers nooit aan belangen van een lager levensveld.

Zal er sprake zijn van zielecontact, of een ziele-aantrekkingskracht tussen mensen, dan verdwijnen ego-interessen direct op de achtergrond, zij tellen eenvoudig niet meer mee en niemand zal daarover klagen of zich bedroefd gevoelen.

Elke ziel, elke ingeschapen goddelijke energiekern doortrilt de mens met een geluksgevoel of een vreugde, als er een zielecontact is, hetzij met een naaste, hetzij met een levensveld en daarin verdwijnen alle ego-interessen.

Dat resultaat is dus niet het gevolg van een methode of een gevecht, maar een logische gebeurtenis van iets dat, buiten de ego-wil van de mens om, in hemzelf plaats heeft.

Het is ook niet iets waarop men wacht, maar iets dat, door middel van het waarlijke leven, aan hem voltrokken wordt. Het is ook niet iets dat men voortdurend najaagt (hetgeen men najaagt vlucht altijd), maar het komt op het ogenblik waarop men er niet op verdacht is.

D.w.z. in het ogenblik dat de mens slaapt in zijn ego.

Het ego doen inslapen lukt niet, het slaapt in als het moe geworden is, op zijn eigen tijd, beantwoordend aan zijn eigen ritme, zoals een kind inslaapt als het moe is.

De wake van het ego is de slaap van de ziel en de slaap van het ego is de wake van de ziel. Hun onderlinge verhouding bepaalt dit ritme van waken en slapen. 

Hoe meer men zich daar, als eigengereide, betweterige en onwetende mens buiten houdt, des te gezonder en beter zal dat zijn voor ego en ziel en dus voor het lichaam en de ziel.

De diepte en de wijsheid van de eenvoud leren onderscheiden, is de eerste les die de ziel de mens doorgeeft, want niets is grootser dan de eenvoud van de Geest. 

Juist het eenvoudige is onontbeerlijk, omdat het de grondtoon van het leven betekent.


1970 - 2015, copyright Henk en Mia Leene